Ultrabeknopte Syntaxis
Gisteren vroeg een lezer: "Zou je eens wat meer over woordgroepen kunnen vertellen, Taalprof?" Nou, graag! Maar dan wel zo dat het op de achterkant van een bierviltje past.
Lees meer/ minder/ printversie
Je hebt inhoudswoorden en functiewoorden. Inhoudswoorden zijn woorden met een rijke betekenis, er bestaan er heel veel van, en er komen er elke dag bij. In het Nederlands zijn dat de zelfstandige naamwoorden en werkwoorden, en het bijvoeglijk naamwoord. Moderne taalkundigen rekenen hier ook de voorzetsels bij, maar dat past niet meer op het viltje.
Alleen inhoudswoorden vormen de kern van woordgroepen (ook daar denken moderne taalkundigen anders over, maar die schrijven hun eigen bierviltjes maar). Je kunt inhoudswoorden uitbreiden met elementen die "horen bij" die woorden: bij 'vader' hoort 'van iemand' bij 'trots' hoort 'op iets', bij 'denken' hoort 'aan iets'. Dan heb je al woordgroepen: kernwoorden met hun "complementen". Die woordgroepen kun je vervolgens nog uitbreiden met willekeurige toevoegingen: de zogeheten "modificaties": bij 'gedachte' kun je toevoegen 'aan iets' (dat is complementatie), maar je kunt er ook 'mooie' voor zetten, of 'tijdens de pauze' erachter.
Modificatie kun je in principe tot in het oneindige toevoegen (tenzij de modificaties elkaar tegenspreken natuurlijk), complementatie kan (per complement) maar één keer.
Op deze manier maak je woordgroepen: met complementatie en modificatie. Lidwoorden, telwoorden of graadbepalingen zijn modificaties die elkaar snel tegenspreken als je er meer van toe zou voegen, dus die komen meestal maar één keer voor bij een kernwoord.
Naast complementatie en modificatie zijn er nog twee andere syntactische operaties waarmee je woordgroepen kunt combineren: ten eerste de nevenschikking ("coördinatie"). Met nevenschikking kun je elke woordgroep uitbreiden met eenzelfde soort, verbonden met een nevenschikkend voegwoord. Bijvoorbeeld, je hebt 'die mooie gedachte aan de vakantie' en je breidt dat uit tot 'die mooie en vredige gedachte aan de vakantie'. Dan heb je het woord 'mooie' (in principe zelf een woordgroep) uitgebreid via coördinatie. Individuele voegwoorden kennen hun eigen beperking, maar met 'en' en 'of' kun je vrijwel alles nevenschikken.
Verwant aan coördinatie is het plaatsen van een "tussenwerpsel" (intercalatie). Op dezelfde plaatsen in de taaluiting als waar je een nevenschikking kunt plaatsen, kun je ook een tussenwerpsel neerzetten: als het ware een toevoeging tussen haakjes of gedachtestreepjes (in spreektaal geef je ze aan met een intonatiedip). Bijvoorbeeld: je hebt 'die mooie gedachte aan de vakantie' en je breidt dat uit tot 'die mooie -nou ja mooie- gedachte aan de vakantie.' Sommige taalkundigen zijn van mening dat coördinatie en intercalatie twee kanten van dezelfde medaille zijn.
Dit zijn de vier manieren waarop je van inhoudswoorden woordgroepen kunt maken: complementatie, modificatie, coördinatie en intercalatie.
O ja, en dan kun je die woordgroepen natuurlijk in een zin ook nog eens in een betekenisvol verband plaatsen. Dan ben je wel geen woordgroepen aan het maken, dan ben je bezig met "predicatie". Als je een onderwerp verbindt met een gezegde, of een bepaling van gesteldheid met een ander zinsdeel, dan leg je verbanden tussen woordgroepen die los van elkaar staan. Het herkennen van complementatie, modificatie, coördinatie, intercalatie en predicatie vormt de kern van de zinsontleding.
Nou zul je misschien zeggen: dat is wel een groot bierviltje dat je daar nodig hebt. Maar als je deze tekst gelezen hebt, kun je volstaan met het noteren van de voor-vorige alinea. En die kan best op een bierviltje van normale afmetingen.
Lees minderGepubliceerd door Taalprof om 11:37 | Permanente link | Reacties (5) | Reageer






Laatste reacties