Ik beloof dat ik nog eens een keer een mooie afgewogen samenvatting zal maken van die discussie over de ontleding van ik ben aan het koken. Ook al lijkt de discussie een beetje uitgewoed, ik vind nog steeds extra argumenten waar ik in ieder geval mijzelf kostelijk mee amuseer. En de volgende redenering vind ik zelfs de moeite waard voor een apart logje.
Zal ik eerst nog maar even vertellen waar het over gaat, voor degenen die het hart niet hebben om de hele discussie erop na te slaan?
De zin ik ben aan het koken, moet je die ontleden als een naamwoordelijk gezegde met ben als koppelwerkwoord en aan het koken als naamwoordelijk deel, of is het een werkwoordelijk gezegde met ben als hulpwerkwoord, twee versteende woordjes aan het en het zelfstandige werkwoord koken? Voor beide ontledingen bestaan argumenten en, wat misschien nog opmerkelijker is, van beide ontledingen bestaan er aanhangers onder de taalkundigen. Sommige grammatica's kiezen voor de naamwoordelijke ontleding, andere voor de werkwoordelijke (en heel veel grammatica's zeggen maar liever niets over deze constructie).
Nou ga ik hier niet de hele argumentatie herhalen, dat moet je echt zelf maar eens doorlezen. Ik pik er het sterkste argument uit voor de werkwoordelijke ontleding: er kan een lijdend voorwerp bij. In de zin Ik ben de aardappelen aan het koken is de aardappelen, in ieder geval qua betekenis, het lijdend voorwerp van koken. En naamwoordelijke gezegdes hebben geen lijdend voorwerp.
Mooi, sterk argument! Er is wel wat op af te dingen, de voorstanders van de naamwoordelijk gezegde-ontleding kunnen erop wijzen dat bij andere naamwoordelijke gezegdes ook wel eens een oorzakelijk voorwerp voorkomt, maar dat heeft toch iets geforceerds, zou je zeggen.
Toch is dit argument van het lijdend voorwerp een verraderlijk argument. Als je het nader analyseert, kun je het zelfs omkeren tot een argument tegen de werkwoordelijke, en voor de naamwoordelijke ontleding. Let op, want het is best de moeite waard.
Dat voorwerp (aardappelen), dat kan op twee plaatsen staan in de aan-het-constructie. Het kan tussen aan het en het werkwoord staan (ik ben aan het aardappelen koken), en het kan vóór aan het staan: (ik ben aardappelen aan het koken). Laten we kortheidshalve het eerste geval het interne voorwerp noemen (het staat binnen de aan-het-constructie), en het tweede het externe voorwerp.
Dat interne voorwerp is bij nader inzien niet zo gunstig voor de werkwoordelijke ontleding. Immers, het is onderhevig aan dezelfde beperkingen als het voorwerp bij de "nominalisatie" van het werkwoord. Als je een lidwoord of voornaamwoord bij het werkwoord zet, wordt het werkwoord een zelfstandig naamwoord, zoals in: Dat aardappelen koken valt nog niet mee. In die constructie is een intern voorwerp beperkt tot "kale woorden". Er kan geen lidwoord bij (het de aardappelen koken), geen telwoord (het drie aardappelen koken) of andere hoeveelheidsbepalingen (het een kilo aardappelen koken), en maar heel beperkt een bijvoeglijk naamwoord (het nieuwe aardappelen koken, het lekkere kruimige nieuwe aardappelen koken). Precies dezelfde beperkingen bestaan er ook bij het interne voorwerp in de aan-het-constructie.
Het lijkt er dus op dat de aan-het-constructie met intern voorwerp in ieder geval een naamwoordelijke constructie is. Maar hoe zit het dan met het externe voorwerp? Vormt dat dan niet een sterk argument tegen de naamwoordelijke, en voor de werkwoordelijke ontleding? Helaas, ook daar lijkt eerder het omgekeerde het geval.
Als je de constructie met aan het naamwoordelijk noemt, dan bestaan er twee verschillende gevallen: aan het koken als naamwoordelijk deel bij een koppelwerkwoord (in elk geval zijn, blijven, raken, lijken, blijken, schijnen, en de vervangende koppelwerkwoorden gaan en slaan) en aan het koken als bepaling van gesteldheid bij de werkwoorden hebben, krijgen, houden, brengen, maken, zetten, horen, zien en vinden.
Dat zijn twee verschillende constructies. Je zou zeggen, de werkwoordelijke ontleding heeft het gemakkelijker. Daar is sprake van één werkwoordelijke constructie, en al die werkwoorden van zijn tot vinden, zijn hulpwerkwoorden. Toegegeven, uitermate vreemde hulpwerkwoorden, want sommige van die woorden zijn alleen hulpwerkwoord in deze constructie maar vooruit, laten we even aannemen dat het eenvoudiger is.
Wat blijkt nu echter als we naar dat externe voorwerp kijken? Dat kan alleen maar bij zijn, blijven, raken, lijken, blijken, schijnen, gaan en slaan! Bij de andere werkwoorden is zo'n extern voorwerp volslagen onmogelijk. Kijk maar: je kunt makkelijk zeggen ik blijf die aardappelen niet aan het koken, maar onmogelijk is: ik krijg hem die aardappelen niet aan het koken. In die laatste zin moet die aardappelen echt weg. Dan blijft er wel een lijdend voorwerp over (hem), maar dat is het lijdend voorwerp van krijgen, en niet van koken.
Nou kun je wel denken: is dat niet net zoiets als bij de hulpwerkwoorden van causaliteit (laten en doen), dat er een extra lijdend voorwerp bij komt? Maar bij die hulpwerkwoorden kan het lijdend voorwerp van koken rustig blijven staan: Ik laat hem die aardappelen koken. Niets aan de hand.
Het externe voorwerp geeft dus juist aanleiding om twee constructies te onderscheiden: die met zijn, raken, blijven, lijken, blijken, schijnen, gaan en slaan, en die met de andere werkwoorden. Precies de constructies die onder de naamwoordelijke ontleding toch al een verschillende benoeming krijgen.
Het argument is dus dodelijk, en wel dodelijk voor de werkwoordelijke ontleding. Die heeft namelijk geen enkele grond voor het onderscheid tussen die twee constructies. Die veegt blijkbaar ten onrechte alles op de grote hoop van het werkwoordelijke gezegde.
Zo blijkt de werkwoordelijke ontleding in de rug gestoken door zijn eigen sterkste argument. Daar zit ergens een mooie Griekse tragedie in.
Lees minder
Laatste reacties