Wie is die Taalprof?

  • Kijk snel hier.

    De Taalprof ontmaskerd?

    Lees hier de waarheid!

    De Taalprof op reis

    Waar was de Taalprof in augustus 2006?

    Sensationele Onthullingen!

    De bladen worden wakker!

Laatste reacties

21 februari 2009

Werkwoorden die voorwerpen hebben

Ik kende de voorbeeldzin uit de taalkundige literatuur al langer, maar vanmorgen kwam ik hem zomaar in het wild tegen, in de gewone literatuur: Mannen die vrouwen haten, een thriller van de Zweedse auteur Stieg Larsson.

Nou zal de taalprof dat boek niet gaan lezen, want over het algemeen stelt hij meer prijs op goede betrekkingen tussen de geslachten dan op wrevel en onmin, zeker als daar ook nog dooien bij vallen. Maar die titel is interessant.

Wat is daarmee aan de hand dan, met die titel Mannen die vrouwen haten?

Lees meer/ minder/ printversie

20 januari 2009

Taalprof knust weblog op

Mooi woord gespot! Beetje laat, want het komt al duizenden keren op het internet voor, maar het kan niet al te oud zijn. De taalprof las het in een tijdschrift (?) waar een Ikea-ontwerper het over zijn eigen interieur had. Hij hield ervan de meubels af en toe een nieuw kleurtje te geven, oftewel "op te knussen, zoals we dat bij Ikea noemen."

Opknussen. Gezellig woord, maar hoe zit het in elkaar. Nou, da's toch niet zo moeilijk?

Lees meer/ minder/ printversie

24 december 2008

Vernielen maar niet verslechteren

Het moet een week of twee geleden zijn, dat het televisiejournaal berichtte over rellen in Griekenland. Er werd iets in het Grieks gezegd, en de ondertiteling luidde: Er vernielden dingen. Interessante vergissing!

Lees meer/ minder/ printversie

17 november 2008

Taalprof weer uitleggerig

Vanmorgen zat de taalprof bij een gesprek waarbij een van de deelnemers opmerkte dat haar leerlingen bij een mondelinge presentatie nogal oplezerig waren. Mooi woord! Zo zie je ze niet vaak in het wild. Dat was wel de moeite waard voor een mentale notitie om 's avonds nog even te genieten. Oplezerig.

Nou niet meteen zeggen, dat zal wel fout zijn, want het woord is te mooi om te verwerpen. Ook niet opmerken dat het niet in de woordenboeken staat want dat is allemaal van een starheid en kortzichtigheid die niet past bij dit fraaie exemplaar. Zeg het anders nog een keer hardop: oplezerig. Ze zijn een beetje oplezerig. Het is onmiddellijk duidelijk wat de bedoeling is: ze lezen teveel op, ze hebben al te zeer de neiging tot oplezen.

Lees meer/ minder/ printversie

31 oktober 2007

Groepjes maken

Wat is een samengestelde zin? Wat is het verschil tussen een hoofdzin en een bijzin? De taalprof legt het op verzoek, graag uit. Uiteindelijk in twee zinnen, zodat het goed in je hoofd past.

Lees meer/ minder/ printversie

9 april 2007

Het woord dat langer werkt

Ik probeer me altijd een voorstelling te maken van zo'n redacteur die voor het katern Wetenschap & Onderwijs van de NRC de inhoudsopgave moet maken. Op zaterdag 7 april 2007 staat bovenaan de openingspagina het kopje: Werkwoorden zijn aparte woorden. Zo! Dan kom je even lekker binnen, moet die redacteur gedacht hebben. Iedereen denkt maar dat al die woordsoorten geen bal uitmaken en dat pakweg de termen bijvoeglijk naamwoord en voornaamwoordelijk bijwoord zowat inwisselbaar zijn, maar nee, we zullen de lezer eens even wakker schudden: werkwoorden, dat zijn in elk geval aparte woorden. Die negen andere woordsoorten, daar hebben we het later nog wel eens over, het moet niet te gek worden, maar dat van die werkwoorden, dat mag best wel eens gezegd worden. Pagina 51 staat er nog achter. Gauw opslaan!

Lees meer/ minder/ printversie

22 december 2006

Buiten-, binnen of in de kou staan

De taalprof heeft het wel nooit over spelling, maar hij is er natuurlijk ook niet vies van om op de golven van de media-aandacht voor het Groot Dictee eventjes mee te surfen, om ongemerkt een paar leuke grammaticale kwesties te belichten.

Dat je veel slimmer moet zijn om goed te kunnen spellen dan om goed te kunnen ontleden, heb ik al vaker gezegd. Maar niemand gelooft dat. Toch moet iemand die vindt dat grammatica moeilijker is dan spelling mij maar eens uitleggen waarom je buitenstaan in het dictee aan elkaar moest schrijven (toen zij de drempel overging en half buitenstond), terwijl binnen staan altijd los geschreven wordt.

Lees meer/ minder

17 december 2006

Slikken en spugen

Valt er eigenlijk nog wel wat te zeggen over de bepaling van gesteldheid? Is dat nu onderhand niet uitgekauwd? Ik dacht het niet! Eerder heb ik al beweerd dat je de bepaling van gesteldheid overal tegenkomt in de grammatica. Maar wist je dat bijvoorbeeld bijna alle samengestelde werkwoorden (zoals aanzetten, opbellen, weggooien) eigenlijk "ingeslikte" bepalingen van gestelheid zijn? En dat ze ook soms weer "uitgespuugd" worden?

Hè bah! Ingeslikte en uitgespuugde bepalingen van gesteldheid? Wat zijn dat nou weer?

Lees meer/ minder

16 december 2006

Op de RTL-redactie

"Jan!"
"Ja wat is er?"
"Wat was dat kofschip ook al weer?"
"Wat?"
"Het kofschip!"
"Ehh, dat was toch iets met taal? Spelling, grammatica. Waarom moet je dat weten?"
"Nou ik schrijf een stukje over nieuwe ezelsbruggetjes en een of andere mafkees heeft in plaats van dat kofschip het woord xtc-koffieshop bedacht."
"Jaja"
"Ik dacht, dat vinden de jongeren leuk, als ik dat voorbeeld geef. Maar ik weet niet meer precies waar dat over ging, dat kofschip. Dat was toch iets met spelling? dt, weet ik veel."
"Was het ook niet een fokschaap?"
"Ja dat kan ook. Maar waar diende dat voor?"
"Was het niet iets met sterke werkwoorden of zo?"
"O ja, dat is goed genoeg, dat schrijf ik gewoon op. Bedankt!"

9 september 2006

Geprüft

"Hee, ben je druk bezig?"
"Ja, ik ben bezig met een logje over bepaald en onbepaald en dan moet ik ook nog een paar emails beantwoorden en een syllabus schrijven en ..."
"Jaja, ho maar, ik wou je alleen iets laten zien. Kan dat effe tussendoor?"
"Ehh, nou vooruit, waar gaat het over?"
"Nou ik was net in de reformzaak en daar hadden ze een reclamekaartje op de kassa staan en daar stond op, je gelooft je ogen niet, wacht, ik heb het opgeschreven, hier, moet je kijken!"
"Chokoladeknappers. Die moet u geproeft hebben. Jaja. Zeker van een Duitse bakker?"
"Ja, van de Bio-Bäckerei, hoe wist je dat?"
Lees meer/ minder

22 mei 2006

Hollandse Eenheidsworsten-Maatschappij

De warenhuizen nemen onze grammatica over. Lees ik eerst in een taalcolumn dat de HEMA hogere taalkunde gebruikt in reclameteksten, nu staat er weer in een weblog dat ditzelfde warenhuis spellinglessen verkoopt. En hoewel de HEMA al jaren de kinderboekhelden Jip en Janneke als beeldmerk gebruikt, zijn die spellinglessen bepaald niet in Jip en Janneketaal gesteld.

Nu heeft de taalprof plechtig beloofd het nooit over spelling te hebben, maar eigenlijk gaan die lessen over grammatica. En daar schiet hij dus te hulp.

Lees meer/minder

7 april 2006

Niet echt voltooid

Niet alle informatie die je op het web vindt is correct. Ook niet als de site er heel betrouwbaar uitziet. Op de site van Learn Online staat een gratis Taalgids, waar je "een uitleg van de Nederlandse spelling en grammatica" kunt vinden "met veel duidelijke voorbeelden". Dat juich ik natuurlijk toe, maar niet als die uitleg niet klopt.

Lees meer/ minder

14 maart 2006

Begin- en eindtijden

In deze log heb ik uitgelegd dat het Nederlandse systeem van werkwoordstijden eigenlijk heel eenvoudig is: je hebt een neutrale vorm (bijvoorbeeld Het regent) en een verleden tijd (Het regende). Je hebt geen andere mogelijkheden om het werkwoord een andere vorm te geven om een verschil in tijd uit te drukken.

Andere talen (zoals het Latijn) hebben meer mogelijkheden: die hebben ook een vorm voor de toekomende tijd, voor gebeurtenissen die per se in de toekomst plaatshebben. In het Nederlands heb je daar aparte woorden voor nodig. Bepalingen (Het regent morgen) of hulpwerkwoorden (Het gaat regenen of Het zal regenen). Maar in grammaticaboekjes zie je bij de Nederlandse werkwoordstijden altijd veel meer mogelijkheden staan: bijvoorbeeld voltooide tijd. Wat is dat dan?

Om goed te kunnen begrijpen hoe je tijd in taal uitdrukt, moet je eigenlijk eerst dit weten: als je iets vertelt over een gebeurtenis, dan zijn daar twee dingen bij van belang. Allereerst de plaats van deze gebeurtenis in de tijd. Dat wil zeggen: vindt de gebeurtenis plaats vóór, op, of na het moment dat je het vertelt. Dat is het onderscheid verleden, heden of toekomst. En ten tweede, de grenzen van die gebeurtenis: gaat het over het begin of het einde van een gebeurtenis, of iets daartussenin.

De plaats van de gebeurtenis is het tempussysteem, wat je zegt over begin of einde heet het aspect (de Duitsers spreken van Aktionsart). Deze onderscheidingen hebben niets te maken met het Nederlands, dat zijn gewoon de logische mogelijkheden die je hebt om iets over een gebeurtenis te zeggen.

Als je het over regen hebt, dan vindt er op een gegeven moment een overgang plaats van droog naar nat (het begin van de regen), dan blijft het een tijdje nat (de regen) en op een later moment heb je weer een overgang van nat naar droog (het einde van de regen). Over de plaats van die drie momenten ten opzichte van elkaar en ten opzichte van een andere moment (bijvoorbeeld de tijd waarop je het zegt) kun je iets zeggen. Meer mogelijkheden heb je eenvoudigweg niet.

In het Nederlands bestaat de mogelijkheid om een voltooid aspect uit te drukken. Dat betekent dat je zegt dat een gebeurtenis afgelopen (voltooid) is. Anders geformuleerd: het einde van de gebeurtenis vindt plaats vóór een bepaald moment. Als je zegt Het heeft geregend dan is de regen opgehouden ergens vóórdat je het zegt. Zeg je Het heeft volgende week (zeker) geregend, dan druk je uit dat het einde van de regen plaatsvindt vóór het moment dat uitgedrukt wordt door de woordgroep volgende week.

Een combinatie van aspect en tempus levert zo vier mogelijkheden op: voltooide tijd of niet, verleden tijd of niet. Zo krijg je voltooid verleden tijd, onvoltooid verleden tijd, voltooid tegenwoordige tijd en onvoltooid tegenwoordige tijd. Het laatste is het eenvoudigste: dan heb je geen voltooide tijd en geen verleden tijd (het regent). Dan zeg je dus bijna niets over de tijd.

Het meest ingewikkeld is voltooid verleden tijd. Dat is de vorm Het had geregend, in een duidelijker voorbeeld Het had gisteren al lang geregeld. Nu heb je én verleden tijd (op had), én voltooide tijd (geregend). Dat levert een eigenaardig effect op, dat de moeite waard is om even over na te denken.

De verleden tijd zegt dat de gebeurtenis plaats heeft vóór het moment van spreken. De voltooide tijd zegt dat de gebeurtenis afgelopen is vóór een bepaald moment. Blijkbaar kan dat niet twee keer hetzelfde moment zijn. Blijkbaar richt de voltooide tijd zich nu op een ander moment (in deze zin gisteren), omdat het moment van spreken al "bezet" is door de verleden tijd! De zin drukt uit dat de regen vóór gisteren afgelopen is.

Dat is interessant. En ik merk nog maar eens op dat niemand dit ooit verzonnen heeft. Zo werkt de taal, ook als je niets van grammatica weet. Erg subtiel, maar iedereen voelt het feilloos aan. Ik vind het iedere keer weer prachtig om te zien.

Tijden en werkwoorden

Onvoltooid verleden tijd, voltooid verleden toekomende tijd, wie het bij dit soort termen niet gaat duizelijk duizelen is geniaal of krankzinnig, zoveel is zeker. Wat zijn dat voor ingewikkelde begrippen? Moet je dat kennen om fatsoenlijk Nederlands te spreken? Wie verzint zoiets?

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: die termen zijn inderdaad nodeloos ingewikkeld. Want de Nederlandse taal is verbazend eenvoudig waar het de tijden betreft. Dat is echt in een paar woorden uit te leggen.

Maar eerst even iets anders. Wat is het toch verbazend dat je informatie over de tijd van een gebeurtenis in de vorm van een woord kunt uitdrukken! Zeg je het regende, dan zeg je niet alleen iets over een weerssituatie, maar ook nog eens over wanneer die plaatsvindt: namelijk niet nu, niet altijd, maar ergens in het verleden. Er is geen enkele noodzaak waarom je dit in de vorm van het woord regenen zou moeten uitdrukken. Je kunt je best een taal voorstellen waarin je simpelweg vroeger regen kunt zeggen. Toch doen veel talen het zoals het Nederlands: het woord dat de gebeurtenis (of een toestand) uitdrukt, draagt ook de informatie over de tijd van die gebeurtenis. Efficiënt? Misschien wel. Maar hoe dan ook, zo is het nu eenmaal.

Wat kun je in het Nederlands voor informatie kwijt in zo'n woordvorm? Eigenlijk maar bar weinig. Een vorm als Het regende geeft verleden tijd aan, en dat is het wel zo'n beetje. De andere vorm Het regent noemt iedereen de tegenwoordige tijd, maar eigenlijk is dat onjuist. Het regent is alleen maar het ontbreken van een verleden tijd, "geen tijd", om het zo maar eens te zeggen.

In het Nederlands kun je kiezen tussen geen tijdsinformatie op het werkwoord, of verleden tijd. Dat is het. Noem het verleden tijd en tegenwoordige tijd en dan heb je het gehad.

Zoals ik elders al zei kun je het mooi zien bij tijdsbepalingen die alle kanten op kunnen. Aan een woord als zondag kun je niet zien of het toekomst of verleden is. In combinatie met een verleden tijd (Het regende zondag) is het altijd verleden, in combinatie met "geen tijd" is de dubbelzinnigheid van het woord niet opgelost: Het regent zondag kan in feite elke zondag zijn (vergelijk maar eens Zondag regende het vaak met Zondag regent het vaak).

In de taalkunde staan de tijden die in de vorm van het werkwoord zijn uitgedrukt, bekend onder de latijnse naam tempus. Het tempussysteem van het Nederlands kent dus maar twee vormen: de neutrale vorm (wat iedereen tegenwoordig noemt) en de verleden vorm. Maar hoe zit het dan met die andere termen als toekomende tijd en voltooide tijd? Dat leg ik hier uit.

10 maart 2006

Geen toekomst

In een vorige log had ik het over werkwoordstijden. Daarin had ik het ook over de toekomende tijd, en ik merkte daar op dat het Nederlands geen mogelijkheden heeft om in een werkwoordsvorm uit te drukken dat iets in de toekomst plaatsvindt. Dat kan in andere talen wel (het Latijn, het Frans), maar in het Nederlands moet je door andere woorden uitdrukken dat iets in de toekomst zal plaatsvinden. Bijvoorbeeld Het regent morgen.

Nu zijn er veel grammaticaboekjes waarin naast de verleden en de voltooide tijd, ook een toekomende tijd in het Nederlands wordt aangenomen. Die zou dan zijn uitgedrukt in het hulpwerkwoord zullen, en in modern taalgebruik in het hulpwerkwoord gaan: het zal regenen of het gaat regenen. Maar klopt dat wel?

Als het goed is, zou een toekomende tijd moeten betekenen dat de gebeurtenis plaatsvindt na het moment van spreken. Dat is voor de gegeven voorbeelden inderdaad heel waarschijnlijk, maar wat betekent dan het zal zondag geregend hebben? In deze zin is die zogenaamde toekomende tijd gecombineerd met een voltooide tijd. Dat kan inderdaad slaan op een zondag in de toekomst, en dan is de regen opgehouden (voltooid) vóór die zondag, maar het is ook heel goed mogelijk om deze zin te begrijpen als de uitspraak dat het heel waarschijnlijk is dat het afgelopen zondag regende. De regen is dan afgelopen vóór het moment van spreken, dus in het verleden. Hoe kan dat?

Blijkbaar kun je het werkwoord zullen in ieder geval opvatten als een modaal hulpwerkwoord (zie daarvoor deze log), dat een sterke waarschijnlijkheid uitdrukt. De betekenis komt dan overeen met iets als vast en zeker. Maar kan dat dan niet altijd? Betekent Het zal regenen dan niet gewoon altijd Het regent vast en zeker? In dat geval is er geen reden om dit te beschouwen als een aparte toekomende tijd.

Een soortgelijke redenering gaat op voor het werkwoord gaan: wat betekent het ging zondag regenen? Volgens mij dat het begin van de regen plaatsvond op een zondag in het verleden. Maar dan is gaan dus geen toekomende tijd, maar een hulpwerkwoord dat gaat over een tijdsaspect, namelijk het begin van het regenen.

Als je zegt Het gaat zondag regenen is er geen sprake van een verleden tijd, dus het gaat niet per se over een zondag in het verleden. In principe kan deze zin over elke zondag gaan. Dat klopt ook. Zet er maar het woordje vaak bij: Het gaat zondag vaak regenen. Dit gaat heus niet per se over een zondag in de toekomst. Niks toekomende tijd dus.

Als je een verleden tijd aanneemt, én een voltooide tijd, én een toekomende tijd, dan krijg je daarmee acht verschillende combinaties. In sommige grammatica's staan ze alle acht opgesomd, van onvoltooid tegenwoordige tijd tot voltooid verleden toekomende tijd. Dat lijkt me te ingewikkeld.

Subtieler kan bijna niet

Nou weer eens wat leuks. Als je mijn uitleg over werkwoordstijden en andere tijdsaspecten hebt doorgeworsteld, denk je misschien: is dat alles? Wat een eenvoudige taal is het Nederlands! Ja dat is wel zo, maar het zit ook wel weer heel mooi in elkaar, met fijne details en zo. Voorbeeldje? Je herinnert je de voltooid tegenwoordige tijd (het heeft geregend) en de onvoltooid verleden tijd (het regende), nietwaar? Anders even nalezen! Zo op het eerste gezicht verschillen die niet zoveel in betekenis. Wat maakt het nou uit of je zegt Gisteren heeft het geregend of Gisteren regende het? Die kun je zo verwisselen. Toch is er een subtiel verschil.

De voltooid tegenwoordige tijd is een voltooid aspect in combinatie met het ontbreken van een verleden tijd: er zit geen tijdsmarkering op heeft, maar er is wel een voltooid deelwoord geregend. Het enige wat deze zin zegt is dat het einde van de regen plaatsvindt vóór een bepaald moment. Dat bepaalde moment is het moment van spreken. De regen is afgelopen in het verleden. Zet je er de tijdsbepaling gisteren bij, dan is dat verleden blijkbaar gisteren.

De onvoltooid verleden tijd het regende gisteren bevat alleen verleden tijd, en geen voltooid aspect. De zin zegt dus niets over het einde van de regen, maar alleen dat de regen zelf plaatsvond vóór het moment van spreken. Zet je daar gisteren bij, dan is dat ook de tijd waarop de regen plaatsvond.

Het subtiele verschil is dus dat de voltooide tijd (Gisteren heeft het geregend) zegt dat de regen afgelopen is (het kan weer opnieuw begonnen zijn maar de regen van gisteren is in ieder geval vóór vandaag ooit opgehouden), terwijl de verleden tijd dit in het midden laat. Als je zegt Het regende gisteren kan het wel onophoudelijk geregend hebben tot en met nu. Zet er maar eens het woordje al bij: Het regende gisteren al.

Geloof je dit niet? Kijk dan eens naar de volgende twee zinnen. Als ik jou vraag Wat deed jij gisteren?, dan kun je antwoorden Gisteren heb ik naar GTST gekeken of Gisteren keek ik naar GTST. Omdat het kijken naar GTST niet zo heel lang hoeft te duren is het logisch dat in beide gevallen die gebeurtenis nu wel afgelopen is. Maar als ik nu in plaats van gisteren vraag Wat deed jij twee seconden geleden, net voordat ik binnenkwam?, dan maakt het wel degelijk verschil of je zegt Toen heb ik naar GTST gekeken of Toen keek ik naar GTST. Die eerste zin betekent dan nog steeds dat je dat nu niet meer doet, terwijl je met de tweede zin heel waarschijnlijk bedoelt dat je daar nu nog mee bezig bent.

Ik heb dit niet verzonnen. Het zit zo al verankerd in je taalgevoel, zonder dat iemand je dat zo geleerd heeft. Dit is vast de eerste keer dat je je daarvan bewust bent. Dat is het leuke van de grammatica: dat je steeds van die hele subtiele dingetjes tegenkomt die je eigenlijk allang wist, maar waar je nooit over nagedacht hebt. Je bent slimmer dan je denkt!