De taalprof laat zich niet afleiden door het succes. Op de hielen gezeten door het Grammaticale Onbenul speurt hij het web af naar taalgebruikers in grammaticale nood. Zit jij met een grammaticaprobleem waarmee niemand je kan helpen? Geef dan de hoop niet op! Misschien word jij ooit, als je het niet meer verwacht, gevonden door: de taalprof.
Het voorzetselvoorwerp, dat is wel een heel verraderlijk zinsdeel, waar zelfs de slimste geleerden het over oneens zijn. In sommige gevallen is het helemaal niet zo duidelijk of een zinsdeel nu voorzetselvoorwerp is of iets anders. Toch is het uitgangspunt eenvoudig.
Hoe pak je zo'n moeilijk geval nou aan? De kinderen propten zich tijdens het verjaardagsfeestje vol met chips, daar staat in ieder geval één zekere bijwoordelijke bepaling in: tijdens het verjaardagsfeestje. Om het simpeler te maken kun je die weglaten. Dan krijg je: De kinderen propten zich vol met chips. Om welke gebeurtenis gaat het hier? Stel dat je het onderwerp weglaat en de rest van de zinsdelen vóór het hele werkwoord zet, dan krijg je: zich met chips vol proppen.
Allereerst dat zich. Is dat een betekenisloos woordje zoals in zich vergissen, of staat het hier voor iemand, en is het alleen toevallig zich? Ik zou zeggen: het is toevallig zich, je kunt net zo goed iemand anders vol proppen. Maar dan is zich het lijdend voorwerp.
Nu dat vol proppen. Had dat niet aan elkaar gemoeten? Is dat niet één werkwoord, volproppen? Tja, je mag van mij alles aan elkaar schrijven (dat is tenslotte spelling), maar ik kan van vol net zo makkelijk helemaal vol of barstensvol maken, dus ik zou zeggen: vol is een apart zinsdeel. Wat voor een zinsdeel is dat dan?
Wie dit logje gelezen heeft, herkent misschien vol als een predicaat bij zich. Als je iemand vol propt, is het resultaat dat hij of zij daarna vol is. Het woordje vol is dus een bepaling van gesteldheid (en wel een resultaatbepaling, om precies te zijn).
Kijk, nou hebben we alles al gehad en we zijn nog niet eens toegekomen aan dat zinsdeel met chips. Waarom doe ik dat zo? Omdat ik denk dat het probleem niet zit in dát zinsdeel, maar in de ontleding van de andere zinsdelen.
Het gaat dus om de constructie iemand vol proppen. Dat is al een gebeurtenis op zich, waar voor de volledigheid nog een onderwerp bij nodig is, en dan kunnen we ons de situatie geheel voorstellen. Kinderen proppen zich vol, schei maar uit, ik zie het helemaal voor me.
Wat doet die gekke met-bepaling daar dan nog bij? Daar kun je volgens mij op twee manieren tegenaan kijken. Je kunt zeggen: dat met chips, dat sluit aan op die bepaling van gesteldheid vol. Die bepaling van gesteldheid is eigenlijk vol met chips. Dat zou heel goed kunnen. Een omzetting als Vol met chíps propten de kinderen zich! lijkt me heel acceptabel. In die zin is vol met chips duidelijk één zinsdeel. Extra argument: je kunt in die constructie zelfs het voorzetsel weglaten: vol chips propten de kinderen zich. Vind je dit de beste analyse, dan is met chips een bijwoordelijke bepaling, omdat het een nadere bepaling van het bijvoeglijk naamwoord vol is. De taalprof heeft een voorkeur voor deze analyse.
Je zou ook kunnen zeggen: die chips, dat is het middel waarmee die kinderen erin slagen om zichzelf vol te proppen. Met behulp van chips, of met gebruikmaking van chips propten de kinderen zich vol, ik vind het zelf een beetje geforceerd, maar ik kan het me indenken. Is dit volgens jou de goede lezing? Maar ook dan is met chips een bijwoordelijke bepaling. De taalkunde vat dit soort bepalingen samen onder de term instrumentbepalingen.
Waarom is een instrumentbepaling geen voorzetselvoorwerp? Nou ja, je kunt alles wel met chips doen. Je kunt knoeien met chips, je kunt frisbeeën met chips, voor mijn part lees je een boek of vernaggel je een dvd-speler met chips. Alles kan met chips. Dat met chips, dat is dus geen voorwerp bij een bepaald werkwoord. Het is een allemansvriend.
Maar hoe zit het dan met dat vaste voorzetsel? Je kunt met hier toch niet vervangen door een ander voorzetsel? Nou ja, dat ligt er maar aan. In die tweede lezing wel, daar vervang je het net zo makkelijk door met behulp van of met gebruikmaking van. In die eerste lezing, als het aansluit op vol, dan is het inderdaad moeilijk om iets anders dan met te kiezen. Maar wacht eens even: dat ligt dan wél aan vol, en niet aan proppen!
Kortom: het methodeboek heeft gelijk. Er is geen enkele reden om in de zin De kinderen propten zich tijdens het verjaardagsfeestje vol met chips het zinsdeel met chips een voorzetselvoorwerp te noemen. Het sluit aan bij de bepaling van gesteldheid vol, of het is een instrumentbepaling. In beide gevallen is het bijwoordelijk.
Lees minder
Laatste reacties