Dit is er ook een: je vertelt over een feestje gisteravond, en over een meisje waarmee je gedanst hebt, en dan word je onderbroken door je gesprekspartner die zegt: "Is het niet een meisje met wie je gedanst hebt?" Weg verhaal. Je wordt bedankt.
Allereerst moet ik weer even benadrukken dat de grammatica niet bedoeld is om goed en fout van elkaar te onderscheiden. De grammatica kan je vertellen hoe zinnen in elkaar zitten. In dit geval gaat het om bijvoeglijke bijzinnen (met wie/waarmee je gedanst hebt) die beginnen met een betrekkelijk voornaamwoord (wie) waar een voorzetsel bij staat (met), of met een betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord (waarmee).
Ook moet ik opmerken dat dit eigenlijk helemaal geen grammaticale kwestie is. De keuze tussen met wie en waarmee is niet gebaseerd op grammaticaal getal of grammaticaal geslacht (zoals de keuze tussen de betrekkelijke voornaamwoorden die en dat), maar alleen op de betekenis. Dat heeft met grammatica niets te maken. Het gaat hier om een stijlvoorschrift.
Je zou dus met wie moeten gebruiken als het om personen gaat, en anders waarmee. Als je het nazoekt staat dat inderdaad in alle taaladviesbronnen (zie onder andere de taaladviesdienst van Onze Taal, en de taaladviesbank van de Taalunie). Ze zeggen allemaal ongeveer hetzelfde: het mag allebei, maar in schrijftaal kun je beter met wie gebruiken.
Maar wat een rare adviezen! In het advies van Onze Taal bijvoorbeeld over de vrouw waarvan/van wie je houdt, een stukje van 8 regels, staat drie keer dat de regel eigenlijk niet klopt: Na de verzekering dat je in schrijftaal met wie moet gebruiken, volgt de gebruikelijke toevoeging dat "in spreektaal [...] de vorm met waarvan echter vaker voor[komt]". Dan wordt opgemerkt dat je het voornaamwoordelijk bijwoord eigenlijk alleen voor "zaken" moet gebruiken. Maar ja: "In de praktijk worden waarmee, waardoor, waarvan, waarop, waarvoor, etc. ook vaak voor personen gebruikt." Maar goed, "Dat kunt u in schrijftaal beter vermijden". En wie van die stellige uitspraak schrikt wordt gelukkig weer gerustgesteld: "maar in gesproken taal is het geheel normaal".
Ja sorry, maar daar haak ik toch echt af hoor! Ik krijg hieruit de indruk dat het gebruik van het voornaamwoordelijk bijwoord massaal voorkomt, maar dat ergens op de wereld een of andere hypertaalgevoelige lezer bestaat waar we met zijn allen heel voorzichtig mee moeten zijn (ik schreef hier bijna: met wie we met zijn allen...). Wie is dat dan? Wie stoort zich hieraan? En belangrijker: waarom, in vredesnaam?
De taaladviesbank van de Taalunie geeft als extra service een serie citaten over deze kwestie uit de taaladviesliteratuur. Ik raad iedereen aan om de hele serie eerst eens door te lezen en dan dit stukje te vervolgen. Ik wacht wel even.
...
Wat vind je daar nou van? Ze hebben toch eigenlijk geen flauw idee wat dat voor een geheimzinnige "regel" is? Het Handboek Verzorgd Nederlands zegt het zelfs keihard: "Wie deze regel bedacht heeft, is ons onbekend. Dat er in het Nederlands
een dergelijke regel bestaat of ooit bestaan zou hebben, is onjuist." Nou dan! Val ons er dan niet langer mee lastig, zou ik zeggen!
De andere adviezen bestaan voor het grootste deel uit krampachtige pogingen om deze door een onbekende verzonnen en niet bestaande regel toch te handhaven. Ja, het zou een "schoolregel" zijn. Hoezo? Wat is dat nou weer? Nee, de regel geldt voor "de schrijftaal". O ja? Waarom? Wat heeft dat onderscheid in dit verband voor nut dan? Misschien stoort je lezer zich eraan. O? Moeten wij ons taalgebruik dan afstemmen op de eerste de beste Grammaticale Onbenul die denkt dat niet bestaande "schoolregeltjes" dicteren hoe de taal in elkaar hoort te zitten? Wat is dat voor een belachelijke infantilisering van de taal?
Het Handboek Verzorgd Nederlands zegt niet te weten wie het allemaal verzonnen heeft, maar één van de citaten komt uit de "schoolgrammatica" van Den Hertog. De Taalunie citeert de druk uit 1973, maar de eerste druk stamt uit 1892, en de tweede staat integraal op het internet (bij www.dbnl.org).
Nou wil ik Den Hertog niet overal de schuld van geven, maar ik krijg het angstige vermoeden dat een van zijn uitspraken weer eens een eigen leven is gaan leiden. De Taaladviesbank citeert de volgende: "Het gebruik van pronominale bijwoorden van personen is niet uitgesloten, maar het heeft iets familiaars en soms iets plomps: De collega, waarover ik laatst sprak. De dame, waarmee ik gedanst heb."
Dat is inderdaad de meest pregnante formulering: het is "familiaar" en "plomp", als je het voornaamwoordelijk bijwoord gebruikt voor personen. Argumentatie, ho maar, het lijkt wel iets wat Den Hertog persoonlijk vindt. Misschien is het laatste voorbeeld zelfs wel opzettelijk. Het lijkt wel of Den Hertog vindt dat in deze zin de indruk wordt gewekt dat je met een dikke dame danst. Dus De dame, met wie ik gedanst heb, dan heb je met een ranke schone een menuet gedanst, en De dame, waarmee ik gedanst heb, dan is het een polka met een gezonde, rondborstige volksvrouw. Ja, ik kan wel snappen dat generaties van taaladviseurs je dan aanraden om het voornaamwoordelijk bijwoord te vermijden!
De Taaladviesbank geeft maar één citaat uit Den Hertog. Maar een halve bladzijde eerder zegt hij eigenlijk iets veel interessanters: "In het [middelnederlands] worden deze woorden, zoowel van personen als van zaken gebruikt; later zijn ze bij voorkeur (niet uitsluitend) van zaken gebezigd." Kijk kijk kijk! Wat moeten we daar nu weer van denken? Oprukkende beschaving?
Ik geloof helemaal niets van die uitspraak. Het lijkt mij een slag in de lucht, want wat zegt hij feitelijk? In de Middeleeuwen gebruikte men het door elkaar, en later ook (want niet uitsluitend voor zaken). Tellingen ontbreken, en ik denk dat het zeer problematisch zou zijn om die uit te voeren want je hebt vrijwel geen betrouwbare gegevens.
Conclusie? De "regel" dat je moet schrijven het meisje met wie je gedanst hebt in plaats van het meisje waarmee je gedanst hebt, heeft nooit bestaan, is op geen enkel grammaticaal onderscheid gebaseerd, en komt waarschijnlijk voort uit een persoonlijk taalgevoel van een grammaticus, dat door latere generaties van navolgers is opgevat als een stijlvoorschrift.
Waarom handhaaft die regel zich dan? Ik denk dat het komt door Grammaticaal Onbenul. Deze regel is gemakkelijk te begrijpen, gemakkelijk toe te passen, en die toepassing geeft je het aangename gevoel dat je iets begrijpt van de grammatica. Dat grammatica iets heel anders is (veel leuker!), en zich met totaal andere dingen bezighoudt, gaat zo totaal aan je voorbij. Zonde!
Lees minder
Laatste reacties