Kinderpredicatie
In mijn Ultrabeknopte Syntaxis had ik het over de drie (of vier) soorten inhoudswoorden: zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden (en eventueel voorzetsels). Met die inhoudswoorden kun je woordgroepen maken. Die woordgroepen, zo voegde ik eraan toe, kun je in een "betekenisvol verband" plaatsen. Dat heet dan "predicatie".
Valt daar nog iets aan toe te voegen? Nou, eigenlijk niet. Maar ik kan het wel nog eens illustreren.
Lees meer/ minder/ printversie
Die predicatie, die kun je heel goed laten zien zonder dat je die hele woordgroepen erbij nodig hebt. Je hebt alleen de inhoudswoorden nodig. Als een kind zegt papa lief, dan zet het twee inhoudswoorden bij elkaar in een predicatief verband. In een volledige zin: papa is lief. Datzelfde doet het kind als het zegt papa slapen. Het kind gebruikt hier niet het meervoud van het werkwoord slapen, het neemt gewoon het hele werkwoord en zet het in een predicatief verband met papa.
Deze twee voorbeelden illustreren ook in een notendop het verschil tussen naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde. Het predicatieve verband tussen papa en lief omschrijf je met het werkwoord zijn, maar tussen papa en slapen zou je het verband eerder met doen moeten omschrijven: papa doet slapen. Misschien zeg je: dat laatste is geen goed Nederlands, maar je kunt het verschil ook omschrijven met de "volwassen" formuleringen: lief is wat papa is tegenover slapen is wat papa doet.
Bij het naast elkaar zetten van zelfstandige naamwoorden heeft het kind ruimere mogelijkheden. Een combinatie als papa dokter kan wel betekenen dat papa dokter is (naamwoordelijk), maar ook dat papa naar de dokter is gegaan (werkwoordelijk.) Papa koekje zal zeker niet de betekenis hebben dat papa een koekje is, maar dat papa een koekje heeft, of wil hebben, of moet geven, kortom: elk verband dat er tussen papa en een koekje kan bestaan kan het kind hiermee op het oog hebben.
Het aardige is dat van die kindertaal juist dat predicatieve verband overblijft. Als twee volwassenen met elkaar in gesprek zijn, zie je ze redelijk vaak van die uitingen van twee inhoudswoorden maken. Bijvoorbeeld in vragende vorm: Derrick boos? Dat kan ik me niet voorstellen. De betekenis is dan altijd predicatief: Derrick is boos.
Ook met hele werkwoorden kan dit: Derrick schieten? Dat heb ik nog nooit gezien. Hier zie je duidelijk het werkwoordelijke predicatieve verband: schieten is wat Derrick doet. Je kunt trouwens mooi het verschil tussen predicatie en complementatie zien in het volgende voorbeeld: Kluun lezen? Dat kan ik me niet voorstellen. Wat betekent hier Kluun lezen? Antwoord: dat hangt af van de intonatie. Als het werkwoord geen klemtoon krijgt is Kluun het lijdend voorwerp van lezen (complementatie), en als beide woorden een aparte klemtoon hebben is de betekenis predicatief. Dan is Kluun degene die leest. Hoe komt dat? Bij complementatie vorm je één woordgroep met als kern lezen, bij predicatie zet je twee aparte woordgroepen in een betekenisvol verband. Per woordgroep krijg je één klemtoon.
Dat het hier echt om het predicatieve verband gaat, zie je als je twee zelfstandige naamwoorden naast elkaar zet, eventueel met een lidwoord erbij (maar het kan ook zonder): Bijvoorbeeld Derrick de moordenaar? Dat geloof ik niet. Ondanks het feit dat in de context een ander verband tussen Derrick en de moordenaar verwacht zou mogen worden (doorgaans is Derrick degene die de moordenaar ontmaskert, of arresteert), kan deze uiting alleen maar begrepen worden in de betekenis dat Derrick de moordenaar is. Hierin verschilt de volwassenentaal duidelijk van de kindertaal.
Deze "kinderpredicatie" vormt ook een argument om voorzetsels tot de inhoudswoorden te rekenen: ook losse voorzetsels, of woordgroepen met een voorzetsel, kunnen in zo'n predicatief verband optreden: Derrick buiten? Hij is toch meestal binnen? of Derrick naar de gevangenis? Hoe is dat mogelijk?
Ook het verschil tussen voorzetselvoorwerp en richtingsbepaling kun je beargumenteren met deze constructie. Neem het verschil tussen Hij ging naar de school en Hij verlangde naar de vakantie. Het eerste voorbeeld is richtingsbepaling, het tweede voorzetselvoorwerp. En kijk: de eerste betekenis kun je ook in kinderpredicatie krijgen: Hij naar de school? Dat is ook voor het eerst. Maar de tweede niet: *Hij naar de vakantie? Jaja, dat zal wel. Hoe komt dat? Bij het voorzetselvoorwerp heeft het voorzetsel geen eigen betekenis, en het kan dus ook geen predicatieve relatie onderhouden.
Lees minderGepubliceerd door Taalprof om 12:08 | Permanente link | Reacties (10) | Reageer






Laatste reacties