Mysterieuze personen
Vraag aan tien mensen die het weten kunnen om je uit te leggen wat een persoonlijk voornaamwoord is. Negen van die tien zullen in hun eerste zin iets zeggen als "je kunt ermee naar personen verwijzen." Daarmee wordt het belangrijkste misverstand over het persoonlijk voornaamwoord in het leven geroepen: dat dat woordje persoonlijk iets te maken heeft met het verwijzen naar mensen.
En wat zegt die tiende persoon die je het vraagt? Die tiende, dat is natuurlijk de taalprof. En die zegt heel wat anders.
Alle voornaamwoorden zijn verwijswoorden (zie deze log ), en van alle voornaamwoorden zijn de persoonlijke voornaamwoorden de eenvoudigste. Met een persoonlijk voornaamwoord kun je naar iets willekeurigs verwijzen. Dingen, dieren, domkoppen, denkwerelden, donderwolken, Duitsers, dichtregels en dwangbevelen (je kunt ook naar zaken verwijzen die niet met een "d" beginnen). Zoek iets uit, en het meest neutrale woord om ernaar te verwijzen is bijna altijd "het". Dat is het voornaamwoord met de minste betekenis. Bijna alleen maar verwijzing. De "dinges" onder de voornaamwoorden.
Waarom heten die dingen dan persoonlijke voornaamwoorden als je er niet typisch mee naar mensen verwijst? Dat is omdat het hier gaat om de grammaticale personen, de vormen van het werkwoord. Persoonlijke voornaamwoorden heb je in de eerste, tweede en derde persoon (en dan ook nog eens in het enkelvoud en meervoud). Zes "personen".
Er zijn talen waar de persoon van het werkwoord (denk ook maar aan de term persoonsvorm) alleen maar in de vorm van het werkwoord is uitgedrukt. In dat soort talen heb je in de meeste zinnen geen persoonlijk voornaamwoord nodig. Een Romein die tweeduizend jaar geleden Amo zei, gebruikte de eerste persoon van het werkwoord amare dat "liefhebben" betekent. Het woordje ik (in het Latijn ego) kon hij makkelijk achterwege laten (in het Italiaans kan dat nog steeds): de persoon is in de werkwoorduitgang al voldoende uitgedrukt.
Wat precies de relatie is tussen het persoonlijk voornaamwoord en de werkwoorduitgang is niet helemaal zeker. Is de werkwoorduitgang ontstaan uit het persoonlijk voornaamwoord dat aan het werkwoord vastgeplakt werd? Of is het persoonlijk voornaamwoord een "losgeweekte" werkwoorduitgang? Voor allebei is wel wat te zeggen. Zeker is in ieder geval dat het persoonlijk voornaamwoord zich graag in de buurt van de persoonsvorm ophoudt, en er vaak een beetje mee versmelt. Zinnen als Toen he'k'em toch een klap verkocht!, Wat mojje? of Heeftie al gebeld? laten dat duidelijk zien.
Vroeger kwamen persoonlijke voornaamwoorden ook nog eens in verschillende naamvallen voor: eentje voor de onderwerpsvorm, twee voor de voorwerpsvormen (lijdend en meewerkend), en nog eentje die we tegenwoordig met het woordje van uitdrukken. Daarover zal ik het nog hebben als ik het bezittelijk voornaamwoord bespreek. Tegenwoordig hebben de meeste persoonlijke voornaamwoorden twee vormen: de onderwerpsvorm (bijvoorbeeld ik, jij, wij) en de voorwerpsvorm (mij, jou, ons).
Omdat persoonlijke voornaamwoorden heel erg veel voorkomen, kan er in de taal niet zo gemakkelijk iets aan veranderen. Dat wil zeggen: elke verandering in het systeem gaat moeizaam, en resten van oude systemen blijven tot in lengte der dagen in het systeem zitten. Dat zie je bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van het woordje u. Hoe die ontwikkeling precies verlopen is, is onduidelijk. Misschien is het ontstaan als afkorting van uwe edelheid, misschien ook is het de voorwerpsvorm van gij (in sommige dialecten bestaat dit nog, soms uitgesproken als oe), die men geleidelijk aan als onderwerp ging gebruiken. Zo'n zelfde ontwikkeling zie je nu bij het woordje hun (een voorwerpsvorm) die als onderwerp gebruikt wordt (Hun hebben dat gedaan). Zo'n ontwikkeling gaat niet zonder slag of stoot, en er blijft altijd wat rommel over. Zo wordt u tegenwoordig met een persoonsvorm in de tweede persoon gebruikt (u bent en u hebt), maar ook met een derde persoon (u is en u heeft). Sommige mensen kunnen daar heel boos om worden, maar de taal heeft haar eigen weerstand tegen de ontwikkelingen.
Het voornaamwoordelijke systeem in het Nederlands (en in de meeste andere talen) is dus het slordige resultaat van moeizame ontwikkelingen. Vroegere regelmaat is hier en daar onzichtbaar geworden. Zo zie je tegenwoordig niet meer wat de relatie is tussen de vorm ik en mij. Als je weet dat ik vroeger mik is geweest, wordt dat een stuk duidelijker.
Sommige persoonlijke voornaamwoorden zijn ook samen gaan vallen. Het woordje zij kan naar één vrouwelijk mens of ding verwijzen, maar ook naar een meervoud. En ze is nog erger. Dat kan onderwerp én voorwerp zijn (ze ziet ze).
Een verhaal apart is de geslachtelijke aanduiding: het verschil tussen hij en zij. Als je naar mensen verwijst, is hij een man en zij een vrouw. Maar bij elke andere verwijzing is het een probleem. Vroeger, en in sommige dialecten nog, had je duidelijke hij-woorden en zij-woorden (en het-woorden), maar tegenwoordig is dat onderscheid een beetje aan het verschuiven. Nu bestaat eerder de neiging om naar abstracte dingen met zij te verwijzen en naar concrete dingen met hij. Althans, in grote delen van Nederland, moet ik erbij zeggen, want in België, en ook in het zuiden van Nederland is de oude geslachtelijke aanduiding nog gebruikelijker.
Dat woordje geslacht is trouwens wel erg ongelukkig. Het is de vertaling van het Latijnse genus, dat ook "soort" betekent. Eigenlijk is dat de bedoelde betekenis van de term. Het gaat eerder om soorten van woorden dan om echte geslachten (in sommige talen heb je wel vijf "geslachten"!)
Er zitten ook jammerlijke gaten in het systeem. Zo bestaat er in het Nederlands geen overkoepelend woord voor hij of zij, wat heel lastig is als je een tekst moet schrijven die over mannen én vrouwen gaat. En het is wel makkelijk om zo'n woord te bedenken, maar het valt nog niet mee om het in de taal te introduceren. Dat is in veertig jaar emancipatie in ieder geval nog niet gelukt. Zelfs niet in een wereldtaal als het Engels. Hoe komt dat? Waarschijnlijk precies om de reden die ik net noemde: voornaamwoorden komen zo vaak voor, dat ze bijna nooit uit de taal verdwijnen. En het is ook heel moeilijk om een echt nieuw voornaamwoord ertussen te proppen.
Wat moet je nou weten van de persoonlijke voornaamwoorden? Eigenlijk alleen dat het het meest betekenisarme verwijswoord is. Het verwijst naar een specifiek iets (of iemand), en het zegt hoogstens of het enkel- of meervoud is, welk geslacht het heeft (maar dat moet je dus met een korreltje zout nemen), en het heeft een onderwerpsvorm en een voorwerpsvorm (die ook nog soms samenvallen, zoals bij jullie). Dat is het. Alle andere verwijswoorden zijn andere voornaamwoorden (zoals aanwijzende of onbepaalde). Je kunt natuurlijk ook alle persoonlijke voornaamwoorden van buiten leren, maar daar moet je maar net zin in hebben. In ieder geval is het belangrijk dat je snapt waarom iets een persoonlijk voornaamwoord genoemd wordt.
Gepubliceerd door Taalprof om 11:28 | Permanente link | Reacties (11) | Reageer






Laatste reacties