

Een van de minst begrepen betekenisaspecten van de Nederlandse taal is het modale betekenisaspect. Het zorgt voor allerlei misverstanden, zoals mensen die zich ergeren als iemand zegt U mag daar even plaatsnemen, en meer van die onzin. Toch is de modale betekenis in een paar woorden uitgelegd.
Het Nederlands zit vol met elementen die modale betekenis aan een zin of woordgroep geven. Meestal zijn het hulpwerkwoorden, zoals moeten, kunnen, mogen, willen, zullen (en laten, maar die niet altijd), of lijken, blijken, schijnen (en nog een paar andere)
Wat is dat dan, een modale betekenis?
Modaliteit geeft aan hoe iemand over de wereld denkt. Meer precies, hoe de zin die je uitspreekt zich verhoudt tot de wereld. Vind je dat wat je zegt een noodzakelijkheid is? Dan gebruik je moeten. Vind je iets alleen maar mogelijk? Dan gebruik je kunnen. Wil je een waarschijnlijkheid daartussenin aangeven? Dan gebruik je schijnen, eventueel met kleine woordjes om die waarschijnlijkheid te preciseren.
Die modaliteit kun je vrij precies afzwakken of versterken. Het kan heel goed regenen is een grotere waarschijnlijkheid dan Het kan wel eens regenen. En Het moet echt regenen is sterker dan Het moet nou toch onderhand wel eens regenen.
Die modaliteit kan verder nog afhankelijk gemaakt worden van wat iemand wil. In dat geval wordt moeten een verplichting (=noodzakelijk volgens iemand) en kunnen een toestemming. Dat heet dan, met een officiële term deontische modaliteit (in tegenstelling tot de meer objectieve epistemische modaliteit).
Waar epistemische modaliteit zich beweegt van noodzakelijkheid via waarschijnlijkheid tot mogelijkheid, gaat deontische modaliteit van verplichting via wenselijkheid naar toestemming.
Het opmerkelijke van al die modale werkwoorden, is dat ze afhankelijk van de context een beetje in elkaars vaarwater terecht kunnen komen. Zo is moeten noodzakelijkheid of verplichting, maar dat kan makkelijk afgezwakt worden tot (grote) waarschijnlijkheid of wenselijkheid. En kunnen is mogelijkheid of toestemming, maar dat kan best versterkt worden. En mogen is meestal toestemming, maar als je toestemming wat versterkt krijg je wenselijkheid. Willen is wenselijkheid, maar kan ook epistemisch (als waarschijnlijkheid) gebruikt worden: het wil maar niet regenen.
In extreme gevallen kun je zelfs bijna alle modale werkwoorden gebruiken, zonder erg veel betekenisverschil. Kijk maar naar het volgende voorbeeld:
- Zal ik even het raam voor je dichtdoen?
- Moet ik even het raam voor je dichtdoen?
- Wil ik even het raam voor je dichtdoen?
- Kan ik even het raam voor je dichtdoen?
- Mag ik even het raam voor je dichtdoen?
De verschillen zitten een beetje in de afstand die je met je keuze tot de aangesprokene uitdrukt: wie staat er hoger in de rangorde, hoe beleefd ben je?
De volgende keer als dus iemand tegen je zegt U mag hier even plaatsnemen, word dan niet boos, en bedenk dat hier een modaal werkwoord wordt gebruikt om wenselijkheid uit te drukken. En wenselijkheid is echt niet hetzelfde als toestemming.
Laatste reacties