Kom, we weten allemaal te weinig van de grammatica, laten we eens iets leren! Het meewerkend voorwerp, wat is dat eigenlijk? Weet iemand dat? Die term komt vaak langs, bijvoorbeeld als het gaat over hen en hun, en over de reizigers worden verzocht om over te stappen, maar wat ís dat precies, een meewerkend voorwerp? Hoe bepaal je of een zinsdeel meewerkend voorwerp is?
Opzoeken maakt je niet meteen veel wijzer. Of je nu de Wikipedia raadpleegt of de Algemene Nederlandse Spraakkunst, het is allemaal of onbegrijpelijk, of het klopt niet.
Wat zeg je bijvoorbeeld hiervan?
Het meewerkend voorwerp (of: indirect object) is het zinsdeel dat de
zelfstandigheid aanduidt waarop de handeling of werking die door de
combinatie van werkwoord en lijdend voorwerp wordt uitgedrukt, gericht
is. Het meewerkend voorwerp heeft in de meeste gevallen betrekking op
personen of levende wezens en kan dikwijls als de begunstigde worden
beschouwd (taaladvies.net)
Probeer dat maar eens te begrijpen zonder universitaire opleiding. En andere formuleringen zijn vaak wel simpeler, maar niet veel helderder:
Het meewerkend voorwerp is het zinsdeel waaraan of waarvoor de handeling van de persoonsvorm betrekking heeft. (Wikipedia)
Dat is niet eens een fatsoenlijke zin, zou ik zeggen. Op een andere plaats in diezelfde Wikipedia staat weer dit:
Het meewerkend voorwerp (indirect object) is een zinsfunctie waarvoor in veel talen de datief (derde naamval )
wordt gebruikt. Het meewerkend voorwerp in een zin is gewoonlijk
datgene waarop de door het werkwoord uitgevoerde handeling níet direct
betrekking heeft. Het meewerkend voorwerp is meestal een persoon, maar
niet altijd (Wikipedia)
Let op het voorzichtige gewoonlijk, wat de hele definitie waardeloos maakt.
De ANS dan maar, dat moet toch goed zijn zou je zeggen:
Bij bepaalde gezegdes moet of kan naast een lijdend of oorzakelijk voorwerp
nog een tweede zinsdeel voorkomen, dat - heel algemeen uitgedrukt -
aangeeft op wie of wat de werking zich richt: een meewerkend voorwerp of
een belanghebbend voorwerp (ANS).
Nu staat er weer iets voorzichtigs (heel algemeen uitgedrukt) bij dat gekke op wie of wat de werking zich richt. Alsof de ANS zegt: ja, wij zien ook wel dat het niet klopt, maar we komen er niet echt uit hoe we dat nou precies moeten formuleren dus we zeggen maar iets heel algemeens waar we ons nooit een buil aan kunnen vallen.
Wat kunnen we hieruit concluderen? De taalprof heeft het al eens eerder beweerd: betekenis en zinsontleding, dat is geen gelukkig huwelijk. Je kúnt de zinsdelen niet benoemen op basis van hun betekenis. Al die betekenisomschrijvingen zijn armoedige pogingen om te omschrijven wat die zinsdelen meestal betekenen, met vaak onbegrijpelijk resultaat. Daar heb je dus niets aan, en al helemaal niet als je die zinsdelen moet vinden of vaststellen.
Zal ik dat nog eens ten overvloede illustreren? Neem de zin Ik geef jou een stuk taart. Daar kun je een heleboel varianten voor verzinnen, die allemaal ongeveer hetzelfde betekenen: ik schenk jou een stuk taart, ik voorzie jou van een stuk taart, ik trakteer jou op een stuk taart, ik verras jou met een stuk taart, ik presenteer jou een stuk taart, ik overhandig jou een stuk taart, en er zijn nog talloze andere mogelijkheden.
Nou wil ik best aannemen dat al die werkwoorden een "werking" uitdrukken. Ik vind het gek gezegd, maar goed: geven is een "werking". Dan zou ik toch zeggen dat jij in alle gevallen degene bent op wie deze "werking" gericht is. Of de "begunstigde", of de "belanghebbende", kortom: jij krijgt het stuk taart.
Als het meewerkend voorwerp nu een zinsdeel was dat alleen op de betekenis gebaseerd was, dan zou het woordje jou toch in al die zinnen meewerkend voorwerp moeten zijn, nietwaar? Maar nee, dat is niet zo: bij voorzien, trakteren, en verrassen is jou lijdend voorwerp. Blijkbaar kan dezelfde betekenis in verschillende zinsdelen worden uitgedrukt. Betekenis, daar heb je dus niet zoveel aan.
Hoe moet het dan wel? Hoe kun je zien dat een zinsdeel meewerkend voorwerp is? Een aantal bronnen hebben het over de datief (derde naamval). De Wikipedia was daar een voorbeeld van: "Het meewerkend voorwerp (indirect object) is een zinsfunctie waarvoor in veel talen de datief (derde naamval) wordt gebruikt". Ik vraag me af of dit klopt (hoeveel talen zijn dat dan? drieduizend? driehonderd? drie?), maar je hebt er weer niet veel aan. Je kunt in ieder geval niet zeggen dat alles wat in een andere taal derde naamval is, in het Nederlands meewerkend voorwerp is. En los daarvan: het zou natuurlijk wel heel raar zijn als je voor het ontleden van een Nederlandse zin eerst naar een andere taal moet kijken! Dus die derde naamval, ook al geen bruikbare regel.
Op verschillende plaatsen wordt een andere eigenschap van het meewerkend voorwerp genoemd:
Een meewerkend voorwerp kan met aan of voor beginnen. Als deze woorden er niet voor staan, kun je ze er voor zetten (Cambiumned).
Kijk, dat is bruikbaar. Onvolledig, maar het klopt wel. Dat is volgens mij het enige bruikbare kenmerk voor het meewerkend voorwerp: het is een voorwerp (geen bijwoordelijke bepaling) dat met én zonder voorzetsel aan, voor of bij kan voorkomen. Als een van die voorzetsels erbij staat moet je de zin zo kunnen herschikken dat je het weg kunt laten, en als het er niet bij staat moet je het toe kunnen voegen.
Dit is een absolute eigenschap. Dus niet zoals hier geformuleerd:
Je kunt meestal aan of voor voor het meewerkend voorwerp zetten. Als er al aan of voor staat, kun je dit meestal weglaten (Learnonline)
Niet meestal (dan is altijd de vraag: wanneer niet dan?), maar altijd. Er bestaan geen meewerkende voorwerpen waarbij dit niet kan.
Daarom is jou bij de werkwoorden geven, schenken, presenteren, overhandigen wél meewerkend voorwerp, en bij de andere voorbeelden niet. Daarom is jou in ik vraag jou iets te doen wel meewerkend voorwerp en in ik nodig jou uit iets te doen niet. Vrijwel dezelfde betekenis, maar andere ontleding. En daarom ook is jou in ik verzoek jou om een reactie géén meewerkend voorwerp (maar hier krijg ik vast commentaar op).
Dat voorzetsel bij, dat wordt er niet vaak bij vermeld. De meeste definities hebben het alleen over aan en voor. Het voorzetsel bij komt voornamelijk voor als het lijdend voorwerp een lichaamsdeel is: Zij maakte (bij) hem het voorhoofd nat, Hij hakte (bij) mij een hand af.
Tja, en dan bestaat er ook nog eens een voorwerp waar niemand goed raad mee weet en dat bij gebrek aan beter ook maar meewerkend voorwerp wordt genoemd. Het is het uitroepende me, in bijvoorbeeld Hij kreeg me toch een stuk taart! of Het was me toch koud! "Ethische datief" heette dat vroeger. Vandaar. Dat dit niet helemaal lekker zit, zie je aan het feit dat je nu twee meewerkende voorwerpen in één zin kunt krijgen: Hij gaf me haar toch een groot stuk taart! Misschien zou je dat woordje me helemaal niet als een voorwerp moeten benoemen, daar zou ik eigenlijk een voorstander van zijn.
Ik zal niet zeggen dat er verder alleen maar duidelijke gevallen bestaan. In sommige gevallen kun je het erover oneens zijn of je nou wel of niet een voorzetsel kunt toevoegen of weglaten. En er zullen ook wel versteende uitdrukkingen zijn die vroeger derde naamval waren en die je dus daarom meewerkend voorwerp zou willen noemen (de ANS noemt bijvoorbeeld iemand iets benijden of iemand iets gelasten). Maar daar zou je desnoods afspraken over kunnen maken. Dat zijn niet meer dan tien, weinig voorkomende gevallen. In de overgrote meerderheid van de gevallen is het weglaatbare voorzetsel een prima middel om het meewerkend voorwerp te benoemen. Bovendien is het de enige manier om een meewerkend voorwerp van een ander zinsdeel te onderscheiden.
Lees minder
Laatste reacties