In de zin Hoeveel kost die auto? is kost de persoonsvorm en die auto is onderwerp, zoveel is duidelijk. Maar dan blijft er nog een zinsdeel over. Voor dat zinsdeel komen redelijkerwijs drie ontledingen in aanmerking.
Het meest voor de hand ligt om te denken dat hoeveel het lijdend voorwerp bij kosten is. Dat sluit aan bij je taalgevoel dat hoeveel sterk verbonden is met het werkwoord en nauwelijks weggelaten kan worden. Een probleem is wel dat geen van de bekende eigenschappen van een lijdend voorwerp toepasbaar zijn: zo heb je hier geen lijdende vorm (Hoeveel wordt door die auto gekost? is geen goede zin), en bij de zogeheten "nominalisatie" van het werkwoord verschijnt het zinsdeel niet met het voorzetsel van (het is niet Het kosten van zoveel).
Een andere gedachte zou kunnen zijn om hoeveel te beschouwen als een bijwoordelijke bepaling. Dat zou je kunnen denken op grond van de betekenis: je zou het kunnen zien als een bijwoordelijke bepaling van hoeveelheid. Daarvan is weer het probleem dat die bepaling niet echt weglaatbaar is. Bijwoordelijke bepalingen zijn doorgaans zinsdelen die vrij toegevoegd of weggelaten kunnen worden.
En ten slotte zou je kunnen overwegen om hoeveel een naamwoordelijk deel van het gezegde te noemen. Dat lijkt misschien een beetje vreemd, maar in spreektaal is vervanging van kosten door zijn niet ongebruikelijk: hoeveel is die auto? Die variant zou je vrijwel zeker als naamwoordelijk moeten ontleden (of je zou zijn moeten beschouwen als een zelfstandig werkwoord met de betekenis "kosten," wat op zijn best lood om oud ijzer is).
De enige grammatica die bij mijn weten deze constructie heel expliciet aan de orde stelt is de Grammatica van het hedendaags Nederlands. Een volledig overzicht, van W.G. Klooster. En wat kiest Klooster? Ehh, nou ja, niks eigenlijk.
Klooster introduceert een aparte term voor dit geval. Hij noemt hoeveel in hoeveel kost die auto? een "pseudo-voorwerp." Daarmee geeft hij aan dat het zinsdeel iets heeft van een voorwerp, erop lijkt, maar het aan de andere kant ook weer niet is. Tegelijkertijd noemt hij werkwoorden als kosten, meten en tellen "semi-koppelwerkwoorden," aldus erkennend dat die werkwoorden iets hebben van koppelwerkwoorden, maar het aan de andere kant ook weer niet helemaal zijn. Verder omschrijft Klooster het zojuist tot pseudovoorwerp gedoopte zinsdeel ook nog eens als "specificerend complement," waarmee het aantal voor dit geval geïntroduceerde termen op drie uitkomt. Ten slotte vermeldt hij nog dat "in sommige grammatica's" het zinsdeel als bijwoordelijke bepaling van hoeveelheid geanalyseerd wordt.
Kloosters analyse is een schoolvoorbeeld van een zorgvuldige, taalwetenschappelijk verantwoorde beschrijving, die recht probeert te doen aan alle aspecten van de constructie. De unieke eigenschappen onderscheiden de constructie van alle andere, dus een aparte term is noodzakelijk.
De taalprof vraagt zich af of met de introductie van drie nieuwe termen de oude niet te gemakkelijk terzijde zijn geschoven. Inderdaad, er zijn goede argumenten om het zinsdeel geen lijdend voorwerp te noemen, en ook de bijwoordelijke bepaling is om bovengenoemde redenen een twijfelachtige benoeming. Maar wat is er eigenlijk mis met de analyse als naamwoordelijk gezegde?
Zeker, je kunt aanvoeren dat kosten niet in het rijtje van koppelwerkwoorden staat. Maar daar zijn meer gevallen van bekend. Zo staat raken ook niet in het lijstje (die had er wel in moeten staan), maar ook vallen in de constructie dat valt mij zwaar, gaan in dat gaat kapot, slaan in het bier slaat dood, komen in dat komt wel goed, zitten in hij zit om geld verlegen, en er zijn er meer. Al die werkwoorden hebben een betekenis die ongeveer overeenkomt met de klassieke koppelwerkwoorden zijn of worden, en ze komen in die betekenis voor in combinatie met een zinsdeel dat een predicatie vormt bij het onderwerp. Ze worden "vervangende koppelwerkwoorden" genoemd. Waarom zou je kosten, meten en tellen ook niet gewoon vervangend koppelwerkwoord noemen? Klooster kiest voor semi-koppelwerkwoord, maar hij zegt er niet bij wat het verschil zou moeten zijn tussen semi-koppelwerkwoord en vervangend koppelwerkwoord.
De analyse van Hoeveel kost die auto? als naamwoordelijk gezegde verklaart waarom er geen lijdende vorm bestaat, waarom bij nominalisatie van het werkwoord geen bepaling met van verschijnt, en waarom het zinsdeel hoeveel niet kan worden weggelaten. Bovendien verantwoordt die ontleding de betekenis die ruwweg overeenkomt met "zijn," én het optreden van de spreektaalvormen Hoeveel is die auto?
En als bonus geeft deze analyse ook nog eens een verklaring voor het optreden van de als fout aangemerkte vorm Deze auto kost duur. Vervang in die zin kosten door zijn en je hebt een prima zin. Blijkbaar beschouwt de taalgebruiker kosten inderdaad als een variant op het koppelwerkwoord zijn. Dat zou de grammatica toch moeten beschrijven, zou je denken.
Lees minder
Laatste reacties