Wie is die Taalprof?

  • Kijk snel hier.

    De Taalprof ontmaskerd?

    Lees hier de waarheid!

    De Taalprof op reis

    Waar was de Taalprof in augustus 2006?

    Sensationele Onthullingen!

    De bladen worden wakker!

Laatste reacties

7 november 2009

Het moet maar eens afgelopen zijn

Als Taalprof heb je nooit rust. Voortdurend vallen je kleine dingen op in het taalgebruik van mensen om je heen. Net nog: ik heb net het vorige logje geplaatst, ik loop naar de keuken waar Radio Een opstaat, en ik hoor de verslaggever zeggen: Dat moet maar eens afgelopen worden, ehh, dat moet maar eens afgelopen zijn.

He wat flauw, dat is toch gewoon een vergissing?

Lees meer/ minder/ printversie

31 mei 2009

Sluikreclame voor werkwoordelijk gezegde

Er lijkt zich tegenwoordig maatschappelijk een overdreven aandacht voor het werkwoordelijk gezegde af te tekenen. Het naamwoordelijk gezegde komt er een beetje bekaaid af. In de eindtermen voor het basisonderwijs wordt wel het werkwoordelijk gezegde genoemd, maar niet het naamwoordelijk gezegde. En dan worden wij ook nog eens om de haverklap in allerlei reclames aangespoord om dingen gewoon te dóén. Als dat geen teken van de tijd is.

Lees meer/ minder/ printversie

8 januari 2009

Fijne site dit!

"Zie ik dat nou goed? Zit de taalprof andere blogs te lezen?"
"Ja, wat zou dat?"
"Heb je niet genoeg aan je eigen blog?"
"Jawel, maar hier staat een leuke uiting."
"Een leuke uiting? Wat dan?"
"Hier, lees maar: Fijne site ook dit!"
"Wat is daar leuk aan?"

Lees meer/ minder/ printversie

23 december 2008

Taalprof niet gediend

Het kwam onlangs weer ter sprake op het taalprof-weblog: meestal staat een naamwoordelijk deel van het gezegde vóór de werkwoordelijke eindgroep, maar soms staat het erachter. Met name als het eruit ziet als een werkwoord. Je zegt wel Hij kan wel ziek zijn en niet *Hij kan wel zijn ziek, maar ?Hij zou daarmee zijn behept hoor je ook wel eens, en behept is toch naamwoordelijk deel.

Vanmorgen hoorde de taalprof twee keer zo'n voorbeeld op de radio.

Lees meer/ minder/ printversie

13 december 2008

Uitgehuldigd

Het was vorige week zaterdag, 6 december. De presentator van Studio Sport kondigde de onderwerpen in de uitzending aan, onder andere een reportage over olympisch kampioen Maarten van der Weijden. Die was, zo merkte hij op, nog niet uitgehuldigd.

Hè? Nog niet uitgehuldigd? Dat klinkt wel heel erg vreemd. Wat is hier aan de hand?

Lees meer/ minder/ printversie

6 november 2008

Goede raad kost duur

Naar aanleiding van een lezersvraag gisteren herinnerde de taalprof zich een oudere discussie (zie punt 4 in de link, en de voorgaande discussie), over de zin Hoeveel kost die auto? Die discussie zat een beetje verborgen in de vragenrubriek van deze site, maar hij is eigenlijk best een aparte bespreking waard.

Daarom nu: Hoeveel kost die auto? en wat is dan Hoeveel?

Lees meer/ minder/ printversie

9 december 2007

Verhinderd want bedekt met bladeren

Twee dezelfde vragen binnen een paar dagen, dat kan geen toeval zijn! Eentje in de vragenrubriek van deze site, eentje op de mailinglijst voor docenten Nederlands. Nou ja, dezelfde vragen, ze gingen over andere zinnetjes, maar de kwestie is dezelfde.

De ene vraag luidde: wat is de ontleding van de zin De man is verhinderd? En de andere: wat is de ontleding van De straat was bedekt met bladeren? Allebei de vragen kunnen op dezelfde manier worden beantwoord. De centrale vraag is: wat is de tijd waarin de zin staat?

Lees meer/ minder/ printversie

24 juli 2007

Blijvend te technisch theoretisch

Stel je de Taalprof de vraag of een bepaalde zin "grammaticaal wel in orde is," dan krijg je al gauw een uitgebreide taalkundige analyse als antwoord. En mocht je dan nog volhouden, dan kun je het ook nog eens op een andere manier te horen krijgen.

Is dit bevredigend? "Vaak vind ik hem te technisch theoretisch" zegt dan iemand over de Taalprof in een discussie elders op het internet. O, het moest niet technisch of theoretisch? Dat kan ook.

Lees meer/ minder/ printversie

9 februari 2007

Alles heeft zijn prijs

Ha fijn, weer een discussie! Een lezer vraagt de taalprof: wat is de ontleding van de zin Wat is de prijs van die auto? En meer in het bijzonder, hoe benoem je het woordje wat? Naamwoordelijk deel van het gezegde, of... bijwoordelijke bepaling? Zo op het eerste oog een makkelijke vraag, maar ongemerkt ontspint zich een discussie die een interessante constructie boven water haalt.

Het voor de hand liggende antwoord op de vraag is (althans in mijn beleving): in de zin Wat is de prijs? is Wat het naamwoordelijk deel van het gezegde. De zin is de vragende vorm van De prijs is 1 euro, en in die zin is is koppelwerkwoord. Je kunt het vervangen door vrijwel elk ander koppelwerkwoord: De prijs is, blijft, wordt, lijkt, schijnt, blijkt 1 euro, het is allemaal prima. Ook de betekenis is in orde: die 1 euro is een nadere specificatie van de prijs, je zou het als een eigenschap van de prijs kunnen zien. Net als De prijs is hoog.

Wat kan iemand hier nou op tegen hebben?

Lees meer/ minder/ printversie

11 januari 2007

The battle continues...

Nieuws van het docentenforum, over aan het koken zijn! De taalprof kan tegenwoordig niet meer op dat forum reageren zonder zijn geheime identiteit te onthullen, dus zet hij de discussie op zijn eigen weblog voort, in de hoop dat hij hier ook gelezen wordt.

Twee docenten die al eerder stevig aan het debat hebben deelgenomen, Henk Bakker en Aad Lohman, brengen nog eens een aantal argumenten in stelling tegen de naamwoordelijke ontleding van ik ben aardappelen aan het koken, en vóór de werkwoordelijke ontleding. Twee van hun eerdere argumenten heb ik al hier genoemd en besproken. Maar daarmee is de koek dus nog niet op.

Lees meer/ minder/ printversie

28 december 2006

Dolkstoot in de rug

Ik beloof dat ik nog eens een keer een mooie afgewogen samenvatting zal maken van die discussie over de ontleding van ik ben aan het koken. Ook al lijkt de discussie een beetje uitgewoed, ik vind nog steeds extra argumenten waar ik in ieder geval mijzelf kostelijk mee amuseer. En de volgende redenering vind ik zelfs de moeite waard voor een apart logje.

Zal ik eerst nog maar even vertellen waar het over gaat, voor degenen die het hart niet hebben om de hele discussie erop na te slaan?

Lees meer/ minder

18 december 2006

Rare jongens, die Engelsen

Als je in een Engelse grammatica naar de term bepaling van gesteldheid zoekt, kom je bij een aantal verschillende termen uit: subject complement, object complement, en predicative adjunct. Kijk je vervolgens bij subject complement, dan vind je dat dat weer overeenkomt met wat wij naamwoordelijk deel van het gezegde noemen. Hûh? Zijn die Engelsen nou helemaal gek geworden?

Lees meer/ minder

12 december 2006

Aan het discussiëren met docenten

Op het lerarenforum [list-nederlands] woedde (woedt) een discussie over de ontleding van de zin Ik ben aan het koken. Het lijkt wel of de taalprof deze week als een olifant door allerlei porseleinkasten dendert, want hij slaagt er maar niet in om overeenstemming te bereiken.

Omdat de discussie op het forum sommige leden begint te irriteren, stel ik graag mijn web-log ter discussie beschikking om deze zaak uit de wereld te helpen. Graag begin ik daarom met een eerlijke (?) samenvatting.

Lees meer/ minder

26 oktober 2006

De flipperkast van Marco Borsato

Uit onderzoek naar hersenactiviteit tijdens taalverwerking is bekend dat er een speciaal plekje in je brein geactiveerd wordt als je iets geks hoort. Onderzoekers lieten proefpersonen luisteren naar woordgroepen als het gewone Patat met ... mayonaise en het gekke Patat met ... hond, en wat bleek? Bij dat gekke zinnetje ontstond er ineens activiteit in een heel ander deel van je hoofd.

Volgens mij weet Marco Borsato dit.

Lees meer/ minder

17 juli 2006

Een hele verandering

De voorpagina van de NRC, zaterdag 15 juli, onderaan de pagina. Een grote kop: Drie Italiaanse topclubs door rechter gedegradeerd. Ik weet zeker dat er meer Nederlanders, net als ik, even op het verkeerde been stonden. Maar hoe zit dat? Je moet wel een beetje van ontleden weten wil je daarover mee kunnen praten.

Lees meer/ minder

14 mei 2006

Een vreselijk geheim

Naamwoordelijk gezegde? Hartstikke makkelijk! Wat je doet is werkwoordelijk, wat je bent is naamwoordelijk. Dat staat al in zoveel logs op deze site, daar kun je niet meer overheen kijken. Ook al kun je het soms niet zo makkelijk ontdekken omdat er wel eens hulpwerkwoorden zijn die lijken op koppelwerkwoorden, als je maar vasthoudt aan de eenvoudige regel dat doen werkwoordelijk is en zijn naamwoordelijk, kom je er altijd uit.

Toch bestaat er één werkwoord dat zich vermomt als een doen-werkwoord, maar dat eigenlijk een koppelwerkwoord is. Dat is eeuwenlang onopgemerkt gebleven voor taalkundigen, en in alle schoolboeken staan de gezegdes met dat werkwoord gewoon als werkwoordelijk benoemd. Als je zo'n gezegde op een proefwerk naamwoordelijk noemt, wordt dat door iedere docent fout gerekend. Dat kun je dus maar beter niet doen.

Dit geheim is een bom onder alle lessen grammatica op de scholen. Als het bekend zou worden was de schade niet te overzien. Als je bang bent voor je leraar of lerares, en je wilt graag goede cijfers halen bij een toets, lees dan vooral niet verder!

Lees meer/minder

24 april 2006

Wanneer was je voor het laatst verbaasd?

De Taalprof krijgt ook wel eens e-mail, naast de vragen op de weblog. Zo kreeg hij dit weekend maar liefst twee mails over dezelfde kwestie, op dezelfde school nota bene!

Wat was er aan de hand? Een leerling had bij de ontleding van de zin ik was erg verbaasd gezegd dat het naamwoordelijk gezegde was, en dat was fout gerekend. Gemor in de wandelgangen, discussie in de klaslokalen! Hoezo was dat fout? Was verbaasd dan geen bijvoeglijk naamwoord? Nee, zei de docent, verbaasd is een werkwoord, en dus is het een werkwoordelijk gezegde met was als hulpwerkwoord.

Andere docenten gingen zich ermee bemoeien, andere talen werden erbij gehaald. Zelfs de wiskundedocent deed een duit in het zakje. Onrust in de lerarenkamer! Ten einde raad wendden de docent én de vader van de leerling zich tot de Taalprof. Wie heeft er gelijk? De Taalprof hakte de knoop door.

Lees meer/ minder

30 maart 2006

Ben ik beschadigd?

Wat is dat nu? De taalprof betrapt op een taalfout? Ik schreef Als het beschadigt is het weg. Klopt dat wel? Moet het niet zijn: Als het beschadigd is, is het weg?

Lees meer/ minder

16 maart 2006

Wat je bent zeg je zelf

Vaststellen of een zin naamwoordelijk of werkwoordelijk is, dat is zo moeilijk niet (zie anders hier en hier). Een werkwoordelijk gezegde drukt altijd uit dat er iets gebeurt (dat iemand iets doet) en met een naamwoordelijk gezegde zeg je dat iets of iemand iets is. Of wordt, of blijft, of lijkt, maar dat zijn allemaal maar kleine betekenisvarianten van is.

Maar als je dan bijvoorbeeld hebt vastgesteld dat iemand iets is, wat is hij of zij dan? Dat wordt uitgedrukt in het naamwoordelijk deel van het gezegde.

Lees meer/ minder

8 maart 2006

In de war in de tuin

"Hè, vertel nog eens iets leuks over het naamwoordelijk gezegde?"
"Wat wil je dan horen?"
"Nou bijvoorbeeld waarom mensen het zo moeilijk vinden?"
"O is dat zo?"
"Ja man, het is een van de grootste struikelblokken bij het ontleden van zinnen"
"Maar het is toch echt hartstikke makkelijk! Dat heb ik echt heel duidelijk uitgelegd in de weblog Wat is een naamwoordelijk gezegde? en Er is maar één koppelwerkwoord. Daar leg ik uit dat het naamwoordelijk gezegde altijd met "zijn" te maken heeft, met wat je bent of wat er is."
"Aha"
"Niet wat er gebeurt of wat iemand doet."
"Jaja"
"Je bent niet overtuigd"
"Nee, niet echt"
"Maar waarom dan niet?"
"Nou, als dat zo makkelijk is, waarom hebben mensen er dan zoveel moeite mee? Je wilt toch niet beweren dat al het onderwijs op dat gebied slecht is?"
"Ehhh..."
"Ja nou sta jij ineens met de mond vol tanden!"
"Ik wil anders niet beweren dat het aan het onderwijs ligt. Maar toch is het onderscheid werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde in beginsel heel eenvoudig"
"Ja nou zeg je ineens in beginsel"
"Ja. Er zijn best lastige gevallen."
"O? Noem er eens een"
"Bijvoorbeeld het verschil tussen Ik ben in de war en Ik ben in de tuin."
"Is dat iets anders dan?"
"Jazeker!"
"Leg eens uit"
"Ik ben in de war is naamwoordelijk gezegde en Ik ben in de tuin is werkwoordelijk."
"Wat is dat nou weer voor een kunstmatig onderscheid! Geen wonder dat mensen dit niet serieus kunnen nemen."
"Het is toch echt fundamenteel anders"
"Ja kom zeg, dit is nou echt een schoolvoorbeeld van een door taalkundigen verzonnen onderscheid. Die lui weten echt niet hoe de gewone taalgebruiker denkt."
"De gewone taalgebruiker, dat ben jij bijvoorbeeld?"
"Ja bijvoorbeeld"
"Dus voor jou is er geen wezenlijk verschil tussen Ik ben in de tuin en Ik ben in de war."
"Nou ja ik ben niet achterlijk natuurlijk. Ik ben in de tuin is letterlijk en Ik ben in de war is figuurlijk, dat zie ik ook wel. Maar die zinnen zitten hetzelfde in elkaar. Ik zie echt geen reden om het een werkwoordelijk en het ander naamwoordelijk te noemen."
"Jaja. Dus die gezegdes zijn volgens jou hetzelfde."
"Precies. Van mij mag je ze allebei naamwoordelijk noemen. Het is toch allebei "zijn"? Je zegt het zelf dat dat dan naamwoordelijk moet zijn? Nou dan!"
"Okee. Maar als jij een zin nou begint met In de war, hoe ga jij dan bij voorkeur verder? Met ...daar ben ik liever niet, of ...dat ben ik liever niet?"
"Nou ja, dat laatste natuurlijk!"
"En als je begint met In de tuin?"
"Ehh..."
"Ook In de tuin, dat ben ik liever niet?"
"Eh, nee, dan zou ik toch daar gebruiken."
"Dus voor jou zijn die zinnen toch verschillend?"
"Ja inderdaad"
"En dat heeft niets met letterlijk of figuurlijk te maken?"
"Eh, nee, niet dat ik zo kan zien"
"En dan nog eens wat: moet je grammaticalessen hebben gehad om dit aan te voelen?"
"Nee, dat dacht ik niet. Ik denk dat iedereen hetzelfde taalgevoel heeft in dit geval"
"Kijk, maar dan is er dus toch wel een reden om een verschil te maken tussen die twee zinnen."
"Ja, daar heb je wel gelijk in. Maar hoe zit dat dan?"
"Nou, in de tuin zijn is blijkbaar iets wat je "doet", dus dat is werkwoordelijk. Aan de andere kant, in de war zijn is niet iets wat je doet. In de war is iets wat je bent."
"Jaja"
"Als je aanneemt dat de taal een basisonderscheid tussen doenzinnen en zijnzinnen maakt, dan is duidelijk dat deze twee in verschillende klassen vallen."
"Hmhm"
"En dat is niet door taalkundigen verzonnen of zo, blijkbaar werkt het gewoon zo. De taalkundige ontleding maakt je alleen maar bewust van het verschil"
"Nounou"
"Oppervlakkig gezien lijken die twee zinnen op elkaar omdat ze allebei zijn bevatten"
"Maar zijn er dan twee werkwoorden zijn in het Nederlands?"
"Dat is één manier om ertegenaan te kijken. zijn met een plaatsbepaling betekent iets als "zich bevinden". in veel talen heb je daar ook echt een ander werkwoord."
"Jaja. Goh. Ja. Leuk voorbeeld!"

7 maart 2006

Gekke koppelwerkwoorden

Sommige woorden zijn wel heel uitzonderlijk als koppelwerkwoord. Wie mijn uitleg gelezen heeft (en begrepen), zal echter onmiddellijk inzien dat de volgende gevallen wel degelijk als koppelwerkwoord beschouwd moeten worden:

  • komen, maar alleen in vrij, gereed, klaar, af, goed komen. In al deze gevallen kun je zeggen: als iets goed komt, dan is het daarna ook goed. komen kun je hier dus zien als een vervanging van worden of raken.
  • lopen, maar alleen in verbindingen als leeg lopen, waar het resultaat weer is dat iets leeg is. Merk op dat er een verschil is met bijvoorbeeld goed lopen. Wat goed loopt, is daardoor niet goed, het loopt alleen goed. In deze verbinding is lopen dus geen koppelwerkwoord.
  • staan, in bekend staan (eigenlijk hetzelfde als zijn).
  • vallen, in dat valt me zwaar (ook een soort zijn) zitten, in ergens verlegen mee zitten.

Al deze voorbeelden staan in de Algemene Nederlandse Spraakkunst. Maar er zijn er veel meer. Bij sommige uitdrukkingen met voorzetsels zie je ook vaak "gekke" koppelwerkwoorden. Wat denk je bijvoorbeeld van: goed in elkaar zitten (of steken) in tweestrijd verkeren (of staan) aan het schreeuwen slaan op hol slaan Sommige zijn misschien heel uitzonderlijk, maar in alle gevallen lijkt er wel degelijk een soort zijn- of worden-betekenis uitgedrukt door het werkwoord.

14 februari 2006

Er bestaat maar één koppelwerkwoord

"Een naamwoordelijk gezegde is altijd voorzien van een koppelwerkwoord. Er zijn er negen, die je allemaal uit je hoofd moet kennen." Dit is zo ongeveer de "uitleg" die er in de meeste grammaticaboekjes staat. En eigenlijk is het onzin.

Ik zal niet zeggen dat je beter niets van buiten kunt leren. Ons hoofd zit vol met nutteloze kennis, daar kan zo'n rijtje koppelwerkwoorden best bij. Maar als je een werkwoord alleen maar een koppelwerkwoord noemt omdat het in een rijtje staat mis je een belangrijk feit uit de grammatica. En je snapt niet waarom een koppelwerkwoord een koppelwerkwoord is.

In een zin met een naamwoordelijk gezegde wordt uitgedrukt dat iets het geval is. Dit in tegenstelling tot een zin met een werkwoordelijk gezegde, waar iets gebeurt of iemand iets doet. Waar werkwoordelijke gezegdes in feite een vorm van doen zijn, zijn naamwoordelijke gezegdes een vorm van zijn. Hieruit volgt dat het werkwoord in een naamwoordelijk gezegde eigenlijk altijd zijn is.

Wat moet dat dan met al die andere koppelwerkwoorden? Het antwoord is: alle koppelwerkwoorden zijn eigenlijk varianten op het woord zijn. Neem worden en blijven. Naast Het is droog kun je zeggen Het wordt droog en Het blijft droog. Gebruik je worden, dan geef je aan dat de droogte begint, met blijven druk je uit dat de periode van droogte gedurende langere tijd aanhoudt.

In feite zijn dat twee kanten van dezelfde medaille. Want als het droog wordt blijft het niet nat, en als het droog blijft wordt het niet nat (waarbij nat eigenlijk betekent: "niet droog").

Waarom kunnen juist deze twee betekenissen aan zijn worden toegevoegd? Ze hebben allebei te maken met de overgang van de ene toestand in de andere. Het werkwoord worden zegt iets over de overgang tussen niet en wel (niet-droog naar droog), en blijven zoomt in op de overgang tussen wel en niet (droog naar niet-droog). Droog worden zegt dat de overgang tussen niet-droog en droog eraan komt, en droog blijven zegt dat de overgang tussen droog en niet-droog juist niet aanstaande is. Het is een wonderlijke samenhang, maar hij zit precies zo in de taal opgesloten.

Als je dit snapt, begrijp je ook dat er meerdere werkwoorden als koppelwerkwoord kunnen dienen. Zo heb je ook raken dat heel goed in plaats van worden kan worden gebruikt. En eigenlijk is gaan in de uitdrukking dood gaan ook een koppelwerkwoord!

Maar hoe zit het dan met die andere zes? Nou ja, eigenlijk zijn dat helemaal geen koppelwerkwoorden. Het zijn modale hulpwerkwoorden. Neem lijken, blijken, schijnen. Die kun je bij andere werkwoorden toevoegen om een modaliteit uit te drukken. Je geeft ermee aan hoe jouw inschatting (of die van iemand anders) is ten aanzien van de gebeurtenis of toestand.

Zeg je bijvoorbeeld Het lijkt te regenen, dan betekent dat, dat het volgens jouw inschatting (of die van anderen) regent, maar dat het waarschijnlijk toch niet zo is. Bij blijken was het ieders inschatting dat het niet regende, maar het regent toch, en met schijnen druk je uit dat het niet jouw inschatting is maar voornamelijk die van anderen.

Gebruik je lijken, blijken, schijnen bij het koppelwerkwoord zijn, dan blijft zijn meestal weg: in plaats van Het lijkt droog te zijn zeg je meestal Het lijkt droog. Wil je volhouden dat een naamwoordelijk gezegde altijd een koppelwerkwoord heeft, dan moet je aannemen dat het hulpwerkwoord lijkt nu die functie heeft overgenomen.

En heten, dunken en voorkomen? Waarom zijn dat koppelwerkwoorden? Wel, allereerst komen die haast nooit meer voor. Tenminste niet als koppelwerkwoord. Dat zijn ze namelijk alleen in hun modale gebruik (hij heet geschikt (te zijn), hij dunkt mij geschikt (te zijn), en hij komt mij geschikt voor). In al deze gevallen geldt dezelfde uitleg als voor lijken, blijken, schijnen. Het zijn eigenlijk modale hulpwerkwoorden. Als je het koppelwerkwoord zijn weglaat, neemt het hulpwerkwoord die functie over. Althans, zo hoor je het te benoemen. Waarom? Omdat je daarmee laat zien dat je begrepen hebt dat de hele zin naamwoordelijk is.

Er bestaat dus eigenlijk maar één koppelwerkwoord: zijn. Alle werkwoorden die een of andere vorm van zijn uitdrukken ("zijn" plus een of ander betekenisaspect), zou je om die reden als koppelwerkwoord moeten benoemen. Dat er daarvan zes (worden, raken, blijven, lijken, blijken, schijnen) gebruikelijk zijn, zou je best van buiten kunnen leren. Maar het hoeft niet.

9 februari 2006

Grappige gezegdes

Wie mijn uitleg over naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde gelezen heeft, vraagt zich misschien af: Zijn er dan geen uitzonderingen? Want iedere regel kent toch uitzonderingen? Nee. Die zijn er niet. Er zijn wel zinnen die altijd voor problemen zorgen, maar daar zijn dan vaak twee lezingen mogelijk.

Een gek geval vormen zijn-zinnen met een plaatsbepaling. Vergelijk Ik ben in de tuin met Ik ben in de war. In de tuin zijn is iets wat je doet (dus werkwoordelijk), maar in de war zijn is niet iets wat je doet. In de war ben je. Je zegt In de war, dat ben ik, maar niet In de tuin, dat ben ik (liever: In de tuin, daar ben ik, en zeker niet In de war, daar ben ik).

De taal (als het goed is: je taalgevoel) rangschikt zijn-zinnen met een plaatsbepaling dus eigenlijk onder de doen-zinnen. Waarom? Omdat zijn daar wel degelijk iets betekent, namelijk "zich bevinden". In aardig zijn betekent dat zijn helemaal niets. In veel talen wordt het dan ook weggelaten.

Soms zijn er twee manieren om ergens tegen aan te kijken. Je zegt Het mist, en dat doet het al de hele dag, maar Het is mistig en dat is het al de hele dag. Blijkbaar kun je het weer werkwoordelijk beschrijven én naamwoordelijk. Waarom is dat nou weer? Nou ja, blijkbaar omdat de taalgebruikers in het verleden die vrijheid wilden hebben. Misschien omdat de weerverschijnselen (donder, bliksem) gezien werden als daden van de hogere machten, weet ik veel. Belangrijker is dat de taal dat onderscheid bewaard heeft.

Wat is een naamwoordelijk gezegde?

Het is verbazend hoeveel mensen willen weten wat een naamwoordelijk gezegde is. Misschien allemaal om de verkeerde reden (bijvoorbeeld in het kader van een schoolvak of een cursus zinsontleding), maar opmerkelijk blijft het. Want wat heb je eraan als je het weet? Toch is het best een interessante kwestie, die raakt aan een centrale eigenschap van alle menselijke talen.

Als je iets zegt, een zin maakt, dan kan die over twee dingen gaan: iets wat er gebeurt (bijvoorbeeld als iemand iets doet), of iets wat het geval is. De Nederlandse taal heeft hier precies twee woorden voor: doen en zijn. Er zijn natuurlijk veel meer woorden om een gebeurtenis of een daad uit te drukken, maar je kunt ze altijd omschrijven met doen of zijn.

Waarom doet de taal dit? Geen idee, maar alle talen doen zoiets. Blijkbaar is het belangrijk als je over de wereld praat om die twee zaken anders te zeggen. Een boek lezen, dat doe je, en aardig, of een goeie gozer dat ben je. Je voelt het bij iedere zin zelf aan, als je hem aanvult: jij bent aardig, en je bent dat al jaren. Niet ...en je doet dat al jaren.

Ook zinnen waarbij op het eerste gezicht niemand iets doet, worden door de taal gerangschikt in één van die twee soorten. De bom ontploft en hij doet dat onverwacht. Het regent en dat doet het al de hele dag. Allemaal doen-zinnen.

Doen-zinnen zijn werkwoordelijk, zijn-zinnen zijn naamwoordelijk. Waarom? Omdat bij doen-zinnen het werkwoord het centrale woord is (lezen, regenen, ontploffen), terwijl bij zijn-zinnen het naamwoord belangrijker is. Bij aardig zijn of een goeie gozer zijn is niet zijn belangrijk, maar aardig of gozer. (Kijk ook eens hier, voor nog meer uitleg over het naamwoordelijk gezegde!)