"U baseert zich dus op de grammatica van Den Hertog. Maar waar baseert Den Hertog zich dan op?"
"Nou ja, dat weet ik niet, maar die grammatica staat helemaal op het internet, leest u het maar na:
op pagina 116 noemt hij de bijwoordelijke bepalingen van omstandigheid
met leege handen, met een behuild gezicht en
zonder mijne toestemming. Het lijkt mij duidelijk dat
met make-up hier prima tussen zou passen."
"Ja, dat lijkt mij ook duidelijk."
"En dan nog wat: ook de modernere Algemene Nederlandse Spraakkunst (de ANS) heeft het over de zogeheden
absolute met-constructie zoals
met een borrel op. Daar zegt de ANS van:
De absolute met-constructie is een soort
bijwoordelijke bepaling die wordt ingeleid door het voorzetsel
met. Zou u niet zeggen dat
zonder make-up de tegenhanger is van
met make-up, en dat dat hetzelfde is als
met make-up op?"
"Dat denk ik wel ja."
"Maar dan zou u toch moeten concluderen dat ook de ANS
zonder make-up zou benoemen als een bijwoordelijke bepaling!"
"Daar heeft het inderdaad alle schijn van."
"Zo is het. Ik zou dus zeggen: rectificeert u dit even, taalprof?"
"Maar ik heb daar toch zo mijn bedenkingen bij."
"Zozo, wel wel! De taalprof corrigeert honderdvijftien jaar Nederlandse grammatica! Waar haalt u dan wel uw wijsheid vandaan?"
"Nou, in de eerste plaats uit de werken die u net zelf hebt geciteerd."
"O?"
"De taalprof kent natuurlijk zowel de ANS als de grammatica van Den Hertog bijna uit zijn hoofd."
"Jaja. Vindt u het erg als ik dat niet geloof?"
"Geen probleem. Maar de taalprof kijkt wel verder dan zijn neus lang is. En om maar eens met de ANS te beginnen: als je het hoofdstuk over de bepaling van gesteldheid leest, dan z
ie je daar voorbeeldzinnen staan van het type
Met de handen in haar schoot zat ze somber voor zich uit te staren."
"Hm!"
"Dat vindt de ANS toch echt een bepaling van gesteldheid. En wat nog leuker is: daar staat de opmerking bij dat het hier gaat om de
absolute met-constructie, met nota bene een verwijzing naar de bladzijde waar staat
De absolute met-constructie is een soort bijwoordelijke bepaling! Legt u me dan maar eens uit wat de ANS echt vindt."
"Maar is dat dan niet gewoon een vergissing van de ANS?"
"Dat denk ik ook. Maar welk van de twee opmerkingen is de vergissing?"
"Nou, dat lijkt me duidelijk!"
"O?"
"De ANS baseert zich op mijn oudoom, Den Hertog. Dus wat Den Hertog zegt is bepalend."
"Maar Den Hertog wist het ook niet zo zeker als u nu doet voorkomen."
"O nee? Hoe komt u daarbij?"
"Vlak onder de voorbeelden die u net signaleerde maakt hij de volgende opmerking:
Hier valt op te merken, dat een deel der hierna te
behandelen bepalingen van gesteldheid, nl. die, welke de gesteldheid van het
onderwerp gedurende de werking te kennen geven, eigenlijk niets anders zijn dan
omstandigheidsbepalingen, secondaire gezegden, maar uitgedrukt door een
adjectief of deelwoord."
"Kunt u dat even in begrijpelijk Nederlands vertalen?"
"Den Hertog merkt hier op dat alle bepalingen van gesteldheid die iets van het onderwerp zeggen beschouwd kunnen worden als
omstandigheidsbepalingen. Blijkbaar kijkt hij dan alleen naar de woordsoort om te beslissen of het bepaling van gesteldheid is of bijwoordelijke bepaling."
"Hoe dan?"
"Als het een bijvoeglijk naamwoord is (
Hij kwam dronken binnen) of een voltooid deelwoord (
hij kwam beneveld binnen), of een tegenwoordig deelwoord (
hij kwam lallend binnen), dan noemt hij het bepaling van gesteldheid, en als het iets anders is (
Hij kwam in de lorum binnen, Hij kwam in alle staten binnen) dan is het ineens bijwoordelijke bepaling van omstandigheid."
"En wat is daar mis mee dan?"
"Ik zou eerder zeggen: wat is daar goed aan? Waarom zou je dat doen? Als je zo'n onderscheid maakt, doe je geen recht aan wat de bepaling van gesteldheid werkelijk is."
"Wat is de bepaling van gesteldheid dan werkelijk?"
"Een predicaat! Wat Den Hertog een
secondair gezegde noemt. Kijk bijvoorbeeld eens naar de naamwoordelijke gezegdes. Het naamwoordelijk deel kan een bijvoeglijk naamwoord zijn (
Hij was dronken), een voltooid deelwoord (
Hij was beneveld), maar ook een woordgroep als
in de lorum of
in alle staten. Dat zijn dus mogelijke predicaten. Alle predicaten kunnen ook bepaling van gesteldheid zijn. Waarom die laatste twee dan ineens niet?"
"Tja..."
"Of omgekeerd: bijwoordelijke bepalingen zijn nooit predicaten bij zelfstandige naamwoorden of bij voornaamwoorden. Waarom deze dan ineens wel?"
"Hm."
"Nee, ik denk dat Den Hertog hier fout zat. Hij zag blijkbaar wel wat er aan de hand was, dat de bepaling van gesteldheid en zijn bijwoordelijke bepaling van omstandigheid in veel gevallen sterk op elkaar leken, maar om een of andere onnaspeurlijke reden heeft hij maar een deel van de gevallen als bepaling van gesteldheid willen benoemen."
"Hm. Ja, ik moet toegeven dat die beslissing bij Den Hertog niet erg overtuigend overkomt."
"Blijkbaar heeft de ANS die overweging ook gemaakt, en in het nadeel van Den Hertog beslist. Maar in de paragraaf over de absolute met-constructie is die ongelukkige opmerking blijven staan dat het een bijwoordelijke bepaling is."
"Ik zeg het met tegenzin, taalprof, maar ik moet u gelijk geven. Er is nog wel één probleem."
"En wat is dat?"
"Ik heb in die vijfenveertig jaar duizenden leerlingen iets anders geleerd. En ongetwijfeld hebben veel van mijn collega's dat ook gedaan. Al die oud-leerlingen van mij zullen nu denken:
ja, maar dat hebben wij vroeger anders geleerd. Dat zullen ze ongetwijfeld massaal tegen u gaan opmerken. Daar zult u nog een harde dobber aan hebben."
"Ja dat vrees ik ook. Weet u wat? Mag ik dit telefoongesprek dan als log toevoegen?"
"Als
log?"
"Mag ik het toevoegen op de site?"
"O dat bedoelt u! Ja, natuurlijk. Geen probleem!"
"Wel, meneer Den Hertog, hartelijk dank dan!"
"Geen dank, taalprof! Goedemiddag!"
"Goedemiddag!"
Lees minder
Laatste reacties