Het is een beetje komkommertijd op de taalprofsite. Weinig nieuwe stukjes, maar ook weinig vragen van lezers. Ongetwijfeld hebben de mensen in deze tijd wel wat beters te doen dan zich bezig te houden met grammatica (dat geldt natuurlijk niet voor de taalprof zelf), maar dat is misschien wel juist een mooie gelegenheid om eens rustig stil te staan bij de achtergrond van een onduidelijke kwestie.
De taalprof verwoordde het gangbare standpunt, maar heel bevredigend is die uitleg natuurlijk niet. In feite was het antwoord de bevestiging dat er een grijs gebied was. Maar hoe zit het dan precies met die bijvoeglijke bepaling? We gaan er even rustig voor zitten.
Woordgroepen hebben een kern, dat is zo'n beetje het uitgangspunt van alle beschrijvingen van taal. Misschien kun je discussiëren over woordgroepen die twee kernen hebben (nevenschikkingen?), of zijn er woordgroepen waarvan het niet zo duidelijk is wat nou precies die kern is (een schat van een kind, twee van ons), maar dat doet niets af aan het uitgangspunt: woordgroepen zijn opgebouwd rond een kern. De rest van de woordgroep vormt dus een uitbreiding, een nadere bepaling van die kern.
De eenvoudigste woordgroepen zijn de woordgroepen rond een zelfstandig naamwoord. Een zelfstandig naamwoord, daar kun je iets vóór zetten (de twee rode rozen) en je kunt er iets achter zetten (rozen van papier). Dat noem je dan (met een voor de hand liggende naam) voorbepaling en nabepaling. In het Nederlands zijn de voorbepalingen het meest gevarieerd.
Zo'n voorbepaling bij een zelfstandig naamwoord in het Nederlands kan drie dingen doen: hij kan het zelfstandig naamwoord bepalen, tellen, of aanvullen. In officiële termen (dan klinkt het meteen wat interessanter): determineren, kwantificeren of modificeren.
In een woordgroep als de twee rode rozen geeft de voorbepaling de aan dat de woordgroep bepaald is: je weet nu dat de twee rode rozen in de context bekend worden verondersteld, anders gezegd: degene die dit tegen je zegt gaat ervan uit dat jij weet over welke twee rode rozen het gaat. Het woordje de is determinerend.
Het woord twee in de twee rode rozen geeft alleen het aantal rode rozen aan. Het woordje noemt geen eigenschap van elke roos, of van alle rode rozen bij elkaar, het gaat alleen om de hoeveelheid. Twee is alleen kwantitatief.
Alleen het woordje rode vormt een inhoudelijke aanvulling bij rozen. Het gaat niet zomaar om rozen, het gaat om rode rozen. Die twee woorden, rood en roos, vormen samen de beschrijving van de dingen die je met de bepaald, en met twee geteld hebt. Die twee dingen zijn rood, en ze zijn roos. Samen vormen die twee woorden de predicatie: ze geven aan wat de twee dingen zijn.
Van de voorbepalingen bij een zelfstandig naamwoord noem je alleen de aanvullende (modificerende) voorbepaling een bijvoeglijke bepaling. Waarom? Ten eerste omdat de aanvullende voorbepaling als enige echt "iets zegt van" het zelfstandig naamwoord. Het telwoord telt de exemplaren van de hele woordgroep, en het lidwoord bepaalt de hele woordgroep. Ten tweede heeft in veel talen de aanvullende voorbepaling ook een aparte verbuiging, die afwijkt van eventuele verbuigingen van bepalende en tellende voorbepalingen. In het moderne Nederlands ontbreekt de verbuiging van bepalende voorbepalingen. De meeste telwoorden hebben ook geen verbuiging, maar bijvoeglijke naamwoorden krijgen over het algemeen wel of geen uitgang (een rood roosje of een rode roos), afhankelijk van een aantal factoren (te ingewikkeld om hier op in te gaan).
Er zijn wel meer redenen voor de aparte status van de aanvullende voorbepaling. Bijvoorbeeld de plaats: aanvullende voorbepalingen staan altijd vlak vóór het zelfstandig naamwoord. Bij hoge uitzondering kan er eentje voor het telwoord staan, maar dan krijgt die wel sterke nadruk (die róde twee rozen, niet die witte!). Maar de aanvullende voorbepaling vormt samen met het zelfstandig naamwoord ook een "betekeniseenheid" ("semantische eenheid"). Als je een voorbepaling met een zelfstandig naamwoord neemt (bijvoorbeeld rode rozen), dan kun je je altijd voorstellen dat je de betekenis van die twee samen in één zelfstandig naamwoord uitdrukt, bijvoorbeeld liefdesroos, of bloedroos, of hartroos, ik zeg maar wat. Zo'n woord heeft vaak nog extra betekenis, maar bij de genoemde voorbeelden kun je je in elk geval voorstellen dat de roodheid inbegrepen is in de betekenis. Bij combinaties van lidwoorden, voornaamwoorden of telwoorden met een zelfstandig naamwoord kun je je zoiets nooit voorstellen. Probeer maar eens één zelfstandig naamwoord te bedenken met de betekenis "dertien rozen", of "mijn rozen", of "de roos". Dat kan niet.
Aanvullende (modificerende) voorbepalingen bij zelfstandige naamwoorden zijn dus speciaal genoeg om een aparte benaming te krijgen: bijvoeglijke bepaling. Maar wat is nou dat grijze gebied?
De voorbepalingen in het Nederlands hebben niet allemaal precies één van die drie functies (bepalen, tellen of aanvullen). Dat ligt voor een deel aan hun oorsprong. Het telwoord verschillende bijvoorbeeld is zeker ontstaan uit een bijvoeglijk naamwoord. Afhankelijk van hoe je het woord gebruikt, heeft het meer een tellende of een aanvullende betekenis, is het kwantificerend of modificerend (of kwantitatief dan wel predicatief). Maar ook een bezittelijk voornaamwoord als mijn had vroeger meer een aanvullende dan een bepalende functie (vroeger had je ook woordgroepen als deze mijn rozen, waarin deze de bepalende functie vervulde en mijn alleen aanvullend was).
Wat moet je nu met die voorbepalingen die twee functies hebben? De meeste grammatica's kiezen voor de oplossing om alleen de voorbepalingen die uitsluitend aanvullend zijn, bijvoeglijke bepalingen te noemen. Heb je het dus over mijn rode rozen, dan kun je wel argumenteren dat mijn iets predicatiefs heeft (de rozen zijn van mij), maar het is in ieder geval niet uitsluitend predicatief: het verzorgt zeker ook de bepaaldheid van de woordgroep. Daarom noem je het geen bijvoeglijke bepaling.
Dat dit een zinvol onderscheid is, blijkt uit een woordgroep als die verschillende rozen. Dat kan twee dingen betekenen: de rozen zijn van elkaar verschillend, het zijn niet allemaal dezelfde rozen. In dat geval gebruik je verschillende predicatief (de rozen zijn verschillend), en is het een bijvoeglijke bepaling. Maar je kunt ook bedoelen dat het een aantal rozen betreft (niet zomaar twee, maar een redelijk aantal). In dat geval is verschillende alleen kwantitatief, en is het dus geen bijvoeglijke bepaling. Op die manier druk je in de ontleding een belangrijke functie van die voorbepaling uit.
Voor de volledigheid: de klasse van de bijvoeglijke bepalingen omvat niet alleen de aanvullende voorbepaling bij een zelfstandig naamwoord, maar ook de nabepaling, en ze omvat de aanvullende voor- en nabepalingen bij een persoonlijk voornaamwoord (arme in arme ik! of van hiernaast in zij van hiernaast). Die nabepalingen horen erbij omdat ze net als de aanvullende voorbepalingen predicatief zijn, en het persoonlijk voornaamwoord wordt geacht in de plaats van een zelfstandig naamwoord te staan.
Lees minder
Laatste reacties