Wie is die Taalprof?

  • Kijk snel hier.

    De Taalprof ontmaskerd?

    Lees hier de waarheid!

    De Taalprof op reis

    Waar was de Taalprof in augustus 2006?

    Sensationele Onthullingen!

    De bladen worden wakker!

Laatste reacties

6 mei 2008

Wat is een hulpwerkwoord van aspect?

Niemand die Nederlands spreekt vindt het gek dat je een verleden tijd in de werkwoordsvorm uitdrukt. De zin Het regent kun je in één klap in de verleden tijd zetten door het werkwoord te veranderen: Het regende. Daar is helemaal geen extra woord voor nodig. Je kunt er natuurlijk wel gisteren bij zetten, of net, maar dat hoeft niet. Alleen al door te zeggen Het regende in plaats van het regent heb je uitgedrukt dat de regen in het verleden plaatsvond.

Eigenlijk is dat maar gek. De meeste betekenissen zijn uitgedrukt in aparte woorden. Zoals aspectuele betekenissen. Aspectu-wat?

Lees meer/ minder/ printversie

28 juli 2006

Wij zijn schoften (de baas ook)

De titel van deze log is een heel oud mopje, uit de tijd dat het woord schoften een gebruikelijker vorm was van het werkwoord schaften (dat, ik zeg het er maar even bij, "eten" of "lunchen" betekent). De grap is dat bouwvakkers die waren gaan eten de mededeling Wij zijn schoften op een bord hadden geschreven, en dat een of andere grapjas eronder had gezet (de baas ook).

Het grapje is natuurlijk moeilijk te vertalen. Misschien is Wij zijn ouwehoeren wel een mogelijkheid, maar het is onwaarschijnlijk dat je dat op een bord zet*. Dat is jammer, want zo gaat een mooi voorbeeld verloren van het aspectuele hulpwerkwoord zijn.

Lees meer/ minder

*Deze zou ook nog kunnen: het personeel van een dierenwinkel zet een bord in de etalage met de tekst Wij zijn eten, en zet dat vlak bij die doorzichtige bak met die schattige konijntjes. Iemand schrijft erbij: Prettige Kerstdagen. Maar misschien kan niet iedereen daarmee lachen.

14 maart 2006

Begin- en eindtijden

In deze log heb ik uitgelegd dat het Nederlandse systeem van werkwoordstijden eigenlijk heel eenvoudig is: je hebt een neutrale vorm (bijvoorbeeld Het regent) en een verleden tijd (Het regende). Je hebt geen andere mogelijkheden om het werkwoord een andere vorm te geven om een verschil in tijd uit te drukken.

Andere talen (zoals het Latijn) hebben meer mogelijkheden: die hebben ook een vorm voor de toekomende tijd, voor gebeurtenissen die per se in de toekomst plaatshebben. In het Nederlands heb je daar aparte woorden voor nodig. Bepalingen (Het regent morgen) of hulpwerkwoorden (Het gaat regenen of Het zal regenen). Maar in grammaticaboekjes zie je bij de Nederlandse werkwoordstijden altijd veel meer mogelijkheden staan: bijvoorbeeld voltooide tijd. Wat is dat dan?

Om goed te kunnen begrijpen hoe je tijd in taal uitdrukt, moet je eigenlijk eerst dit weten: als je iets vertelt over een gebeurtenis, dan zijn daar twee dingen bij van belang. Allereerst de plaats van deze gebeurtenis in de tijd. Dat wil zeggen: vindt de gebeurtenis plaats vóór, op, of na het moment dat je het vertelt. Dat is het onderscheid verleden, heden of toekomst. En ten tweede, de grenzen van die gebeurtenis: gaat het over het begin of het einde van een gebeurtenis, of iets daartussenin.

De plaats van de gebeurtenis is het tempussysteem, wat je zegt over begin of einde heet het aspect (de Duitsers spreken van Aktionsart). Deze onderscheidingen hebben niets te maken met het Nederlands, dat zijn gewoon de logische mogelijkheden die je hebt om iets over een gebeurtenis te zeggen.

Als je het over regen hebt, dan vindt er op een gegeven moment een overgang plaats van droog naar nat (het begin van de regen), dan blijft het een tijdje nat (de regen) en op een later moment heb je weer een overgang van nat naar droog (het einde van de regen). Over de plaats van die drie momenten ten opzichte van elkaar en ten opzichte van een andere moment (bijvoorbeeld de tijd waarop je het zegt) kun je iets zeggen. Meer mogelijkheden heb je eenvoudigweg niet.

In het Nederlands bestaat de mogelijkheid om een voltooid aspect uit te drukken. Dat betekent dat je zegt dat een gebeurtenis afgelopen (voltooid) is. Anders geformuleerd: het einde van de gebeurtenis vindt plaats vóór een bepaald moment. Als je zegt Het heeft geregend dan is de regen opgehouden ergens vóórdat je het zegt. Zeg je Het heeft volgende week (zeker) geregend, dan druk je uit dat het einde van de regen plaatsvindt vóór het moment dat uitgedrukt wordt door de woordgroep volgende week.

Een combinatie van aspect en tempus levert zo vier mogelijkheden op: voltooide tijd of niet, verleden tijd of niet. Zo krijg je voltooid verleden tijd, onvoltooid verleden tijd, voltooid tegenwoordige tijd en onvoltooid tegenwoordige tijd. Het laatste is het eenvoudigste: dan heb je geen voltooide tijd en geen verleden tijd (het regent). Dan zeg je dus bijna niets over de tijd.

Het meest ingewikkeld is voltooid verleden tijd. Dat is de vorm Het had geregend, in een duidelijker voorbeeld Het had gisteren al lang geregeld. Nu heb je én verleden tijd (op had), én voltooide tijd (geregend). Dat levert een eigenaardig effect op, dat de moeite waard is om even over na te denken.

De verleden tijd zegt dat de gebeurtenis plaats heeft vóór het moment van spreken. De voltooide tijd zegt dat de gebeurtenis afgelopen is vóór een bepaald moment. Blijkbaar kan dat niet twee keer hetzelfde moment zijn. Blijkbaar richt de voltooide tijd zich nu op een ander moment (in deze zin gisteren), omdat het moment van spreken al "bezet" is door de verleden tijd! De zin drukt uit dat de regen vóór gisteren afgelopen is.

Dat is interessant. En ik merk nog maar eens op dat niemand dit ooit verzonnen heeft. Zo werkt de taal, ook als je niets van grammatica weet. Erg subtiel, maar iedereen voelt het feilloos aan. Ik vind het iedere keer weer prachtig om te zien.

Tijden en werkwoorden

Onvoltooid verleden tijd, voltooid verleden toekomende tijd, wie het bij dit soort termen niet gaat duizelijk duizelen is geniaal of krankzinnig, zoveel is zeker. Wat zijn dat voor ingewikkelde begrippen? Moet je dat kennen om fatsoenlijk Nederlands te spreken? Wie verzint zoiets?

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: die termen zijn inderdaad nodeloos ingewikkeld. Want de Nederlandse taal is verbazend eenvoudig waar het de tijden betreft. Dat is echt in een paar woorden uit te leggen.

Maar eerst even iets anders. Wat is het toch verbazend dat je informatie over de tijd van een gebeurtenis in de vorm van een woord kunt uitdrukken! Zeg je het regende, dan zeg je niet alleen iets over een weerssituatie, maar ook nog eens over wanneer die plaatsvindt: namelijk niet nu, niet altijd, maar ergens in het verleden. Er is geen enkele noodzaak waarom je dit in de vorm van het woord regenen zou moeten uitdrukken. Je kunt je best een taal voorstellen waarin je simpelweg vroeger regen kunt zeggen. Toch doen veel talen het zoals het Nederlands: het woord dat de gebeurtenis (of een toestand) uitdrukt, draagt ook de informatie over de tijd van die gebeurtenis. Efficiënt? Misschien wel. Maar hoe dan ook, zo is het nu eenmaal.

Wat kun je in het Nederlands voor informatie kwijt in zo'n woordvorm? Eigenlijk maar bar weinig. Een vorm als Het regende geeft verleden tijd aan, en dat is het wel zo'n beetje. De andere vorm Het regent noemt iedereen de tegenwoordige tijd, maar eigenlijk is dat onjuist. Het regent is alleen maar het ontbreken van een verleden tijd, "geen tijd", om het zo maar eens te zeggen.

In het Nederlands kun je kiezen tussen geen tijdsinformatie op het werkwoord, of verleden tijd. Dat is het. Noem het verleden tijd en tegenwoordige tijd en dan heb je het gehad.

Zoals ik elders al zei kun je het mooi zien bij tijdsbepalingen die alle kanten op kunnen. Aan een woord als zondag kun je niet zien of het toekomst of verleden is. In combinatie met een verleden tijd (Het regende zondag) is het altijd verleden, in combinatie met "geen tijd" is de dubbelzinnigheid van het woord niet opgelost: Het regent zondag kan in feite elke zondag zijn (vergelijk maar eens Zondag regende het vaak met Zondag regent het vaak).

In de taalkunde staan de tijden die in de vorm van het werkwoord zijn uitgedrukt, bekend onder de latijnse naam tempus. Het tempussysteem van het Nederlands kent dus maar twee vormen: de neutrale vorm (wat iedereen tegenwoordig noemt) en de verleden vorm. Maar hoe zit het dan met die andere termen als toekomende tijd en voltooide tijd? Dat leg ik hier uit.

10 maart 2006

Subtieler kan bijna niet

Nou weer eens wat leuks. Als je mijn uitleg over werkwoordstijden en andere tijdsaspecten hebt doorgeworsteld, denk je misschien: is dat alles? Wat een eenvoudige taal is het Nederlands! Ja dat is wel zo, maar het zit ook wel weer heel mooi in elkaar, met fijne details en zo. Voorbeeldje? Je herinnert je de voltooid tegenwoordige tijd (het heeft geregend) en de onvoltooid verleden tijd (het regende), nietwaar? Anders even nalezen! Zo op het eerste gezicht verschillen die niet zoveel in betekenis. Wat maakt het nou uit of je zegt Gisteren heeft het geregend of Gisteren regende het? Die kun je zo verwisselen. Toch is er een subtiel verschil.

De voltooid tegenwoordige tijd is een voltooid aspect in combinatie met het ontbreken van een verleden tijd: er zit geen tijdsmarkering op heeft, maar er is wel een voltooid deelwoord geregend. Het enige wat deze zin zegt is dat het einde van de regen plaatsvindt vóór een bepaald moment. Dat bepaalde moment is het moment van spreken. De regen is afgelopen in het verleden. Zet je er de tijdsbepaling gisteren bij, dan is dat verleden blijkbaar gisteren.

De onvoltooid verleden tijd het regende gisteren bevat alleen verleden tijd, en geen voltooid aspect. De zin zegt dus niets over het einde van de regen, maar alleen dat de regen zelf plaatsvond vóór het moment van spreken. Zet je daar gisteren bij, dan is dat ook de tijd waarop de regen plaatsvond.

Het subtiele verschil is dus dat de voltooide tijd (Gisteren heeft het geregend) zegt dat de regen afgelopen is (het kan weer opnieuw begonnen zijn maar de regen van gisteren is in ieder geval vóór vandaag ooit opgehouden), terwijl de verleden tijd dit in het midden laat. Als je zegt Het regende gisteren kan het wel onophoudelijk geregend hebben tot en met nu. Zet er maar eens het woordje al bij: Het regende gisteren al.

Geloof je dit niet? Kijk dan eens naar de volgende twee zinnen. Als ik jou vraag Wat deed jij gisteren?, dan kun je antwoorden Gisteren heb ik naar GTST gekeken of Gisteren keek ik naar GTST. Omdat het kijken naar GTST niet zo heel lang hoeft te duren is het logisch dat in beide gevallen die gebeurtenis nu wel afgelopen is. Maar als ik nu in plaats van gisteren vraag Wat deed jij twee seconden geleden, net voordat ik binnenkwam?, dan maakt het wel degelijk verschil of je zegt Toen heb ik naar GTST gekeken of Toen keek ik naar GTST. Die eerste zin betekent dan nog steeds dat je dat nu niet meer doet, terwijl je met de tweede zin heel waarschijnlijk bedoelt dat je daar nu nog mee bezig bent.

Ik heb dit niet verzonnen. Het zit zo al verankerd in je taalgevoel, zonder dat iemand je dat zo geleerd heeft. Dit is vast de eerste keer dat je je daarvan bewust bent. Dat is het leuke van de grammatica: dat je steeds van die hele subtiele dingetjes tegenkomt die je eigenlijk allang wist, maar waar je nooit over nagedacht hebt. Je bent slimmer dan je denkt!